Opinie CDJA in Trouw: Eén euro stagevergoeding kan de bedoeling toch niet zijn?

Het kabinet wil eindelijk werk maken van een wettelijke stagevergoeding. Dat lijkt goed nieuws. Studenten verdienen immers een eerlijke vergoeding voor het werk dat zij tijdens hun stage verrichten. Maar wie verder kijkt, ziet al snel dat deze wet dreigt uit te lopen op dat waar stagiairs nou net geen behoefte aan hebben: schijnwetgeving.

Werkgevers zouden verplicht worden een stagevergoeding te betalen, maar tegelijk weigert minister van onderwijs Rianne Letschert vooralsnog een minimumbedrag vast te leggen. Zij wil dat arbeidssectoren de hoogte van de vergoeding zelf gaan vastleggen in cao’s. Dat gebeurt in een aantal cao’s nu ook al, zoals bij de rijksoverheid, ziekenhuizen of in de horeca. Maar lang niet overal. Met name mbo’ers krijgen, ondanks afspraken hierover, vaak nog steeds geen stagevergoeding.

Met Letscherts wetsvoorstel voor de verplichte wettelijke stagevergoeding ontstaat nu een merkwaardige situatie. Een werkgever die een stagiair één euro per maand betaalt, voldoet in theorie gewoon aan de wet. Op papier is dan sprake van een stagevergoeding, maar in de praktijk hebben studenten daar niets aan.

Dat is precies het probleem. Wetgeving moet niet alleen goed klinken in een persbericht, maar ook daadwerkelijk verschil maken in de praktijk.

Een wettelijke verplichting zonder minimumbedrag biedt studenten geen echte bescherming. Integendeel, het wekt de indruk dat een probleem is opgelost, terwijl de positie van stagiairs nauwelijks wordt verbeterd.

Kwetsbare positie
Dat die bescherming hard nodig is, staat buiten kijf. Vooral mbo-studenten worden geraakt. Ongeveer zestig procent ontvangt geen enkele vergoeding, tegenover een kwart van de hbo-studenten en ruim een derde van de wo-studenten. Veel studenten lopen veertig uur per week stage en moeten daarnaast in de avonden of weekenden werken om rond te komen. Die combinatie leidt niet alleen tot financiële stress, maar vergroot ook de kans op uitval en mentale klachten. Bovendien bleek uit onderzoek dat een kwart van de stagiairs wordt ingezet als goedkope arbeidskracht.

Stagiairs bevinden zich in een kwetsbare positie. Zij zijn afhankelijk van een goede beoordeling, willen hun diploma behalen en durven misstanden daarom vaak niet aan te kaarten. Tegelijkertijd draaien veel studenten volledig mee binnen organisaties. Natuurlijk kost goede begeleiding tijd en geld, maar in veel sectoren leveren stagiairs een waardevolle bijdrage aan het dagelijkse werk. Daar hoort een fatsoenlijke vergoeding bij.

Duits en Frans voorbeeld
Nederland hoeft het wiel niet opnieuw uit te vinden. Duitsland en Frankrijk kennen al een wettelijk minimumbedrag voor stagevergoedingen. In Frankrijk hebben studenten bij een stage van langer dan twee maanden recht op minimaal vijftien procent van het minimumloon. In Duitsland geldt bij stages langer dan drie maanden zelfs het reguliere minimumloon. Nederland dreigt daarmee achter te blijven, met een wet die wel verplicht, maar geen garantie biedt op een eerlijke vergoeding.

Ook de redenering van de minister dat een wettelijk minimumbedrag ten koste zal gaan van het aantal stageplaatsen overtuigt niet. De praktijk laat een minder eenduidig beeld zien. Zo nam in Frankrijk het aantal stageplaatsen juist toe nadat een wettelijke minimumstagevergoeding werd ingevoerd. De vrees dat eerlijke vergoedingen automatisch leiden tot minder stageplaatsen, wordt daarmee niet bevestigd.

Een wettelijke stagevergoeding zonder minimumbedrag is daarom geen oplossing. Het kabinet creëert de schijn van bescherming, terwijl de praktijk nauwelijks verandert. Studenten hebben geen behoefte aan symbolische wetgeving, maar aan eerlijke regels die voorkomen dat hun inzet voor een habbekrats, of bij wijze van spreken voor één euro, wordt afgekocht.

Dus kabinet, stop met schijnwetgeving en voer een wettelijk minimumbedrag voor stagevergoedingen in.

Plaats een reactie

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items -  0,00