Europa

In deze editie alles over de Europese verkiezingen van aanstaande donderdag. Ook een terugblik op het vormingsweekend, de eerste column van de nieuwe voorzitter en een introductie van de nieuwe DB’ers.

Begin met lezen

Inhoud

Interview: ‘Ik vind dat Europa een VAR nodig heeft’

Essay: Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa als opgave

Opinie: Politie en Europa

CDJA Inside: Nieuwe DB’ers

Essay: Wie was Groen van Prinsterer?

Opinie: De rechtsstaat is het #beschermenwaard

Opinie: Hoe redden we het Grand Hotel Europa?

CDJA Inside: Terugblik vormingsweekend 2019: democratie en rechtsstaat

CDJA Inside: Politieke update

Voorzitterscolumn: Onninks opstel

Redactioneel – Abel van de Sluis

De verkiezingen voor het Europees parlement staan voor de deur! Na eerder dit jaar al verkiezingen voor de Provinciale Staten en de waterschappen te hebben gehad, mogen we nu weer naar de stembus. Net als bij de vorige verkiezingen levert het CDJA weer jongerenkandidaten: in deze Interruptie lees je een interview met ‘onze’ Robert de Wit. Ook vind je meerdere opinieartikelen over Europa en is er weer veel verenigingsnieuws, met onder andere een voorstelrondje van de nieuwe Dagelijks Bestuursleden en de eerste column van de nieuwe CDJA-voorzitter Hielke Onnink. Tevens is het mijn laatste Interruptie als hoofdredacteur, aangezien ik ben verkozen tot secretaris van het CDJA. Ik heb met veel plezier voor de Interruptie gewerkt en wens mijn opvolger net zoveel plezier!

 

‘Ik vind dat Europa een VAR nodig heeft’

Robert de Wit is 29 jaar oud, communicatiespecialist en CDA-Statenlid in Groningen. Donderdag is hij verkiesbaar voor het Europees Parlement, als nummer 10 op de CDA-lijst. ‘Het wordt ook tijd dat je wat jongere mensen hebt die een frisse blik hebben.’

‘De afgelopen vier jaar ben ik Statenlid geweest in de provincie Groningen. Ik heb daar veel contact gehad met de noordelijke provincies, ook veel in Europees verband. Ik ben lid geworden van de G200 en daarna ook in 2018 voorzitter geweest van de G200 in Dubai. Daar zag ik dat er ontzettend veel kansen liggen voor Noord-Nederland en voor jongeren in Europa. We krijgen meestal heel negatieve geluiden over wat er gebeurt vanuit Brussel. Maar er liggen ook heel veel kansen, niet alleen met Europa als geldpot, maar ook als samenwerkingsverband met andere landen. Dat was voor mij de reden om mijn expertise in te willen zetten in Europa.’

Je bent de afgelopen 4 jaar statenlid geweest en je bent nu weer verkozen. Wat heb je de afgelopen 4 jaar voor jongeren gedaan in de Provinciale Staten?

‘Ik ben de afgelopen vier jaar heel intensief bezig geweest met jongerenparticipatie. Ook om te kijken hoe jongeren zelf betrokken willen worden bij de politiek. Dus in plaats van dat we op het provinciehuis uitvinden hoe je met jongeren om moet gaan, hebben wij juist gevraagd: wat willen jongeren zelf? Dat kan per thema heel verschillend zijn. Als je kijkt naar ov-knelpunten hebben we jongeren online actief gevraagd wat ze nou echt belangrijk vinden. Qua duurzaamheidsmaatregelen hebben we energiechallenges gepromoot, waarbij jongeren zelf op school aan de slag gaan met duurzame vormen van energie. Dat is ontzettend interessant.’

‘Wat ik daarnaast belangrijk vind, naast het feit dat ik zelf veel naar scholen ga, om jongeren ook uit te nodigen op het provinciehuis. Niet alleen om te laten zien wat ik doe, maar ook om de dialoog aan te gaan over wat ze graag willen weten en wat ze graag willen bijdragen. Dit is voor het Europees parlement eigenlijk net zo. Twee maanden geleden was ik in Brussel, waar een groep jonge agrariërs op visite kwam bij het Europees Parlement. Die brengen zo ontzettend veel expertise mee. We moeten als overheid niet denken dat we alle wijsheid in pacht hebben, maar juist ook luisteren. Om ook die nieuwe generatie een stem te geven in Europa.’

‘Ik ben de afgelopen vier jaar heel intensief bezig geweest met jongerenparticipatie’

Wat is op Europees niveau nou echt een jongerenprobleem?

‘Ik houd er niet van om over problemen te praten, ik praat liever over kansen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de Erasmus beurzen, Erasmus plus, waarmee kunnen studeren in het buitenland en ervaring kunnen opdoen met zowel hun studie als met een andere cultuur. Die zijn er al wel op universitair niveau, ook wel steeds meer op HBO niveau, maar op het MBO hebben ze daar de kans niet voor.. Stel je voor dat je een MBO opleiding in Nederland in de grensstreek doet, waarom zou je dan omdat je MBO doet geen gebruik kunnen maken van een Erasmus beurs? Wat mij betreft ligt daar echt een kans, om jongeren ook over de grens ervaring op te laten doen. Hetzelfde geldt voor de Europese studenten die hier in Nederland studeren en kennis delen. Het mooie is dat wij studenten in het buitenland hebben die bij terugkeer ook weer kennis meenemen. Daar heeft onze economie ook gigantisch veel aan.’

Heb je zelf gebruik gemaakt van zo’n beurs?

‘Nee, ik heb zelf niet gebruik gemaakt van zo’n beurs. Ik heb wel een keer voor mijn opleiding een opdracht mogen doen voor Brussel. Ik heb politieke overheidscommunicatie gestudeerd en ik mocht daar uitzoeken op welke manier lidstaten op een betere manier geïnformeerd kunnen worden over wat er gebeurt binnen Europa, dus veel meer doelgerichte communicatie. Mijn belangrijkste conclusie was daar wel dat je niet iedereen alles moet willen vertellen, maar dat je informatie heel erg toe moet spitsen op wat voor die doelgroep relevant is. Dat je nieuws over mobiliteit of agrariërs in een vakblad zet en in regionale media de dingen plaatst die voor die regio interessant zijn.’

Wat is je verdere ervaring in Europa?

‘Zoals ik al zei ben ik afgelopen jaar voorzitter geweest van de G200. Daarbij komen jonge parlementariërs, excellente studenten en professoren van over de hele wereld bij elkaar om over elk thema te spreken dat ze op tafel willen hebben. Het eerste jaar heb ik daar gesproken over immigratie en het bijzondere daarbij is dat alle landen waarover je spreekt ook aanwezig zijn. Een excellente studente uit Taiwan die hierin gespecialiseerd was, een docent uit Spanje en een professor uit Syrië. Dus daar heb ik ontzettend veel geleerd. Wat hoor je, wat betekent het concreet en hoe bedenk je hier op een goede manier een oplossing voor? In Dubai was ik voorzitter van de parlementariërscommissie, waarbij ik ook al die stukken heb mogen voorbespreken met parlementariërs. Daar heb ik gewoon ontzettend veel ervaring mee opgedaan.’

Wat voor doel zie jij voor jezelf en de CDA-fractie als je in het Europees Parlement komt?

‘Ik denk dat het CDA en de christendemocratie op dit moment de belangrijkste rol vervult die je maar kan vervullen. Je ziet op links en rechts steeds meer populistische partijen ontstaan. Er wordt steeds meer geschreeuwd vanaf de zijlijn en het CDA werkt vanuit de verbinding. Wij vinden het belangrijk om partijen om tafel te zetten en om daarmee in gesprek te gaan. Om even in voetbaltermen te spreken: ik vind dat Europa een VAR nodig heeft die kritisch kijkt wanneer er beslissingen worden genomen. Die ruimte geeft wanneer het goed gaat en op het moment dat er ingegrepen wordt op zijn strepen staat en op een goede manier uitlegt waarom ze beslissingen nemen.’

Kan jij dit samen met het CDA veranderen, aangezien het CDA niet heel groot is in het Europees Parlement?

‘Nee, het CDA is zeker niet groot, maar het CDA heeft wel veel invloed. Het CDA is deel van de Europese Volkspartij, de grootste partij in het Europese parlement. Dit maakt het makkelijker om met collega’s uit andere landen goed de discussie aan te gaan en ook in gesprek te gaan over welke oplossingen denkbaar zijn. Dat is geven en nemen. Nederland is een polderland. Het is juist belangrijk om de dialoog aan te blijven gaan en op die manier dingen voor elkaar weten te krijgen. Doordat ik ervaring heb met verschillende culturen maakt dat die dialoog in Europa makkelijker, ook omdat ik in Noord-Nederland woon, vier jaar Statenlid ben geweest en veel contact heb gehad met collega’s in Friesland en Drenthe. Dat vind ik ook wel belangrijk om te noemen. Mocht ik in het Europees Parlement komen dan zal ik daar blijven wonen. Natuurlijk zal ik voor commissies soms daar een paar dagen blijven, maar ik wil gewoon mijn woning in Groningen behouden. Want ik vind dat als je jezelf neerzet als Groningse kandidaat, dat je ook de komende 5 jaar hier moet zijn.’

Hoe wil je je specifiek voor het CDJA inzetten?

‘Ik ben in het verleden actief geweest bij CDJA Groningen als bestuurslid communicatie. Later werd ik voorzitter van de promotiecommissie, waar ik veel contact met de werkgroepen en het DB had en alle punten die er waren meekreeg. Ik vind het vooral belangrijk dat je jongeren betrekt met wat je doet en ook informatie uit hen haalt. Ik heb dat de afgelopen vier jaar heel erg gedaan met onze eigen CDJA-afdeling in Groningen, met welke thema’s zij belangrijk vinden en hoe je daar vorm aan kan geven. Ik wil dit ook doen in het Europees parlement. Ik wil niet alleen vertellen hoe we het doen, maar ik wil ook weten wat jongeren belangrijk vinden. Als er één ding is waardoor Europa ver van mensen afstaat, is dat dat je niet altijd goede prioriteiten legt. Wat vinden onze mensen belangrijk, daar gaat het om.’

‘Ik heb ontzettend veel geleerd bij het CDJA en ik vind het belangrijk dat jongeren ook een stem krijgen in Europa. Het zijn heel veel grijze muizen in het Europees parlement, mensen die vanuit de nationale parlementen komen en doorgeschoven worden naar Brussel. Het wordt ook tijd dat je wat jongere mensen hebt die een frisse blik hebben. Die de verbinding zoeken met anderen en ook wel stevig hun stempel durven te drukken, maar met mijn ervaring als scheidsrechter ben ik daar niet zo bang voor.’

Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa als gave en opgave

“Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”. Als het aan de Tweede Kamer ligt, wordt deze zinsnede zo snel mogelijk uit de Europese verdragen geschrapt. In de media werd dit vooral als symboolpolitiek gezien, omdat er voorlopig geen verdragswijziging komt. Ook minister-president Rutte benadrukte dat deze woorden geen juridisch, maar slechts een symbolisch karakter hebben. Dat óók de CDA-fractie klakkeloos met deze motie instemde was dan ook vooral een symbolische daad, maar wel een van grote betekenis! Het belang van deze formulering schuilt bij uitstek in haar symbolische betekenis. Dat het parlement uitdrukkelijk afstand van deze woorden neemt, is daarom op zijn best een teken van gebrek aan historisch besef – en op zijn slechts een gebrek aan ethisch bewustzijn ten opzichte van de opgave die in deze zinsnede besloten ligt. 

Der Verderb der Sprache ist der Verderb des Menschen”, “het bederf van de taal, is het bederf van de mensen”, zo schrijft Dolf Sternberger in hetWörterbuch des Unmenschen(1946). In dit woordenboek van de ‘onmensen’ probeerde hij de nationaalsocialistische nalatenschap uit de Duitse taal te bannen. Sternberger besefte als geen ander dat politiek bestaat uit de kunst van het spreken en de macht van het woord. Aristoteles schreef al dat het spraakvermogen de mens onderscheidt van het dier (al zijn niet alle biologen het daarmee eens). Hij zag in spraak de voorwaarde tot politiek, dat wil zeggen tot  gemeenschappelijk handelen. Niet voor niets zei God, toen hij zag dat de inwoners van Babel probeerden een hemelhoge toren te bouwen: “laten wij naar hen toegaan en spraakverwarring onder hen teweeg brengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.” (Gen. 11: 1-9). Op deze manier strafte hij de mensen voor hun hoogmoed en verspreidde hen over de wereld. 

Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa. An ever closer Union Einer immer engeren Union der Völker Europas. Une union sans cesse plus étroite entre les peuples de l’Europe. Deze woorden zijn niet betekenisloos, maar staan symbool voor de historische grondslag van het Europese project. Zij spreken de hoop uit dat wij gemaakte fouten uit het verleden in de toekomst niet zullen herhalen. 

Recent had ik het genoegen om enkele edities van het Duitse tijdschrift Die Wandlungte lezen – het eerste Duitstalige tijdschrift dat na afloop van de Tweede Wereldoorlog van de geallieerde bezettingsmacht mocht worden uitgegeven. Het  tijdschrift voorzag de overgebleven Duitse intelligentsia van een podium om de oorlogsjaren onder woorden te brengen en op zoek te gaan naar een nieuwe manier om over de toekomst te spreken (ook Sternberger publiceerde hierin zijn woordenboek). De grote filosoof Karl Jaspers opende de eerste editie met de veelbetekenende woorden: “wir haben fast alles verloren.”

Bijna alles was verloren gegaan – behalve het vermogen om met elkaar in gesprek te gaan, te discussiëren en te debatteren om zo een nieuwe gemeenschappelijke taal te ontwikkelen. In de verschillende jaargangen van Die Wandlungkomt ook de toekomst van Duitsland op het Europese continent ter sprake. Deze toekomst was nauw verbonden met twee begrippen: Friedenssicherung en die Ruhrfrage– en zonder de laatste te beantwoorden, zou van de eerste geen sprake kunnen zijn. Het Ruhrgebied, gelegen in Noord-Rijn Westfalen, is een regio rijk aan grondstoffen en industrie en droeg daarom in belangrijke mate bij aan Hitlers oorlogsinspanningen. Het was voor de geallieerde bezettingsmachten dan ook klip en klaar dat dit gebied niet zomaar onder Duits gezag gebracht kon worden. Tegelijkertijd vormde het Franse idee om het Ruhrgebied simpelweg van Duitsland af te snijden en onder internationaal gezag te stellen geen oplossing: dit recept was na afloop van de Eerste Wereldoorlog reeds beproefd en had tot grote wrok onder de Duitse bevolking geleid. 

De Duitse intellectuelen die in Die Wandlung schrevenwaren overtuigd van de noodzaak om een oplossing voor het Ruhrgebied te vinden, omdat anders de Friedenssicherung, een duurzame vrede, niet mogelijk zou zijn. Zo schreef een van hen in een bijdrage uit 1947 dat het voor de toekomst van het Europese continent noodzakelijk was dat de nationale staten “ihre großen schwerindustriellen Komplexe unter gegenseitige internationale Kontrolle gestellt haben.” Alleen door de zware industrie van de nationale staten onder wederzijdse controle te plaatsen, zou de Ruhrfragebeantwoord en de friedenssicheringbewerkstelligd kunnen worden. 

En zo geschiedde, onder aanvoering van de Fransman Robert Schuman werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. Deze gemeenschap had, zoals Schuman zelf zei, als doel “om een oorlog tussen Frankrijk en Duitsland niet alleen ondenkbaar, maar ook feitelijk gezien onmogelijk te maken.” Hij bewerkstelligde dit door de productie van Kolen en Staal onder het gezag van een gemeenschappelijke autoriteit te plaatsen. Het succes van deze aanpak laat zich raden, is er iemand die vandaag de dag een oorlog tussen Frankrijk of Duitsland, of op het Europese continent überhaupt, voor mogelijk houdt? 

De Gemeenschap voor Kolen en Staal opende de weg voor een duurzame vrede in Europa, een vrede die werd ingeluid door het Verdrag van Rome (1957). Hiermee werd de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht en dit markeert de eerste etappe van een “steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren”. Hierin ligt de blijvende gave van het Europese project. Overigens zijn de Europese verdragen niet alleen de concrete uitwerking van het Europese vredesproject – ook het idee van vrede door middel van een verdrag is bij uitstek een Europese aangelegenheid: “pax, pace, paz, paixzijn afgeleid van het Latijnse werkwoord paciscor: een verdrag sluiten. Vrede is de door een verdrag beëindigde oorlog.” (Hans Nieuwenhuis, Een steeds hechter verbond, p. 20.)

Steeds vaker wordt gezegd dat de oorlog al zo lang voorbij is en het vredesideaal daarom niet langer de grondslag van het Europese project kan vormen, laat staan verdere integratie kan rechtvaardigen. Een dergelijke stelling miskent echter het verloop van de recente Europese geschiedenis. Zo leefden de ouders van onze Spaanse, Portugese en Griekse leeftijdsgenoten in de dictaturen van Franco, Salazar en onder de militaire junta van Papadopoulus. Voor onze Oost-Europese medeburgers is de vrede, in de zin van politieke vrijheid, nog geen 20 jaar oud (bovendien staat zij in diverse Oost-Europese lidstaten opnieuw onder druk). Ook zien velen jongeren in de Balkan de EU nog altijd als de bakermat van de vrede. De Europese Unie als vredesproject is dus niet achterhaald – de gave van de vrede is een blijvende opgave. 

Daarnaast dient de zinsnede “een steeds hechter verbond van Europese volkeren” ook niet begrepen te worden als een aansporing tot het opheffen van de nationale staten. Dat zij wel als zodanig begrepen wordt, is een pijnlijke en noodlottige consequentie van het feit dat er nog bijna uitsluitend in statelijke termen over de EU gedacht wordt. Onze volksvertegenwoordigers maken zo dus dezelfde misstap als David Cameron, die in aanloop naar het Brexit-referendum eiste dat het Verenigd Koninkrijk zou worden vrijgesteld van de verplichting om naar een “steeds hechter verbond” te streven. Zo hoopte hij zijn tegenstanders, die in het Europese project een heimelijk streven naar een Europese superstaat ontwaren, definitief de mond te snoeren. Door deze absurde eis (die de andere lidstaten bizar genoeg accepteerden!) liet Cameron de eurosceptici de toon van het debat bepalen – hij volgde immers het framedat deze zin symbool staat voor het streven naar een superstaat.  De gevolgen kennen we allemaal en alleen al daarom hadden onze volksvertegenwoordigers zich nogmaals achter de oren mogen krabben. 

“Een steeds hechter verbond” dient niet in een staatsrechtelijke zin te worden opgevat, maar als een verband en verbinding tussen volkeren. Zo stelt Hans Nieuwenhuis dat het begrip verbond “geen vastomlijnde betekenis” heeft, maar juist “een Bijbelse klank”. Hij verwijst daarbij naar Genesis 9:8-9: “God sprak tot Noach en zijn zonen: hierbij sluit ik een verbond met jullie en je nakomelingen.” De EU schept de randvoorwaarden om dergelijke verbonden te sluiten: “het is de uitwisselingvan goederen, diensten en ideeën die een band schept.” Kortom, het gaat niet om de verhoudingen tussen instituties en staten, maar om verbanden en verbindingen tussen mensen en volkeren. “Een steeds hechter verbond” heeft dus niet zozeer een politieke betekenis, maar geeft uitdrukking aan eenethische opgave die ons allemaal aangaat. 

Dat deze opgave in het huidige debat niet tot uitdrukking komt, is een uiting van grote intellectuele armoede. Deze armoede blijkt vooral uit het feit dat het debat uitsluitend gevoerd wordt in de termen ‘meer Europa!’ of ‘minder Europa!’ Bovendien hebben de nationalistische en de progressief-liberale krachten dit debat gekaapt: de jonge idealisten van Volten de renaissance partij van Macron staan tegenover de socialistische middelvinger en de Renaissance vloot van Baudet. Deze tegenstelling laat zich ook duiden als  het Europa van de Verlichting, de universele rede en mensenrechten tegenover het Europa van de romantiek, de natiestaat en “eigen land eerst. Een christendemocratisch geluid is echter nergens te horen. 

De CDA-fractie had zo’n geluid kunnen maken door erop te wijzen dat deze tegenstelling kortzichtig is, want zij veronderstelt dat de keuze zich beperkt tot de natiestaat óf de EU. De stichters van het Europese project hadden nooit als doel om de natiestaten op te heffen en te vervangen door een Europese natiestaat (dat wil zeggen één Europees volk in één Europese superstaat). Dat zou betekenen dat we geen enkele les uit het verloop van de twintigste eeuw getrokken hebben! 

Het Europese project is juist gebaseerd op de overtuiging dat meerdere identiteiten naast elkaar kunnen bestaan. “Patriotismus ist Voraussetzung des Weltbürgertums”, zo schreef de Duits-Britse socioloog Ralf Dahrendorf. “Patriotisme is een voorwaarde voor kosmopolitisme”, en hij vervolgde, “in ieder geval geldt dat mensen ergens bij moeten horen, voordat zij voorbij hun eigen horizon kunnen kijken.” Het idee dat wij van de EU moeten houden, haar als ons vaderland moeten beschouwen en onze nationale identiteit moeten afschudden, is dus op zijn zachtst gezegd misplaatst. Dat geldt trouwens ook voor de onzalige gedachte dat het Europese project onze nationale eigenheid bedreigt.   

Wij hoeven niet van de EU te houden, maar we dienen haar wel op waarde te schatten en als een kostbaar gegeven te beschouwen. Het is daarom te gemakkelijk om Europa als een superstaat te presenteren. Scheidend fractievoorzitter Buma droeg daar ook aan bij toen hij in 2013 met veel bombarie stelde dat Brussel teveel macht heeft. Hij presenteerde vervolgens de zogenaamde ‘buma-lijst’met onderwerpen waarover Den Haag weer zeggenschap moest krijgen. Wie leest met welke onbeduidende bevoegdheden Buma voor de dag kwam (onder andere de nitraatrichtlijn, de bodemrichtlijn en cookiewetgeving), kan alleen maar concluderen dat het met de bevoegdheidsverdeling wel goed zit. Het is dan ook geen wonder dat er sindsdien nooit meer iets van deze buma-lijst vernomen is, en dit voorbeeld is dan ook een treffende van de opportunistische Europa-koers van het CDA. 

Inmiddels klinkt er binnen het CDA een ander, inhoudelijker en waarachtiger geluid. Wopke Hoekstra en de auteurs van het rapport ‘vertrouwen in verandering’laten zien dat zij de Europese gedachte wél begrepen hebben. In plaats van de boze burger te paaien met een opportunistisch-nationalistisch koers, dient de christendemocratie te benadrukken dat het supranationale en het nationale, eenheid en veelheid, naast elkaar bestaan. Het unieke, sui-generiskarakter van het Europese project bestaat uit de vereniging van een veelvoud aan Europese volkeren in een politieke gemeenschap. De Unie is dus minder dan een eenheidsstaat, meer dan een los samenwerkingsverband van soevereine staten – kortom, in varietate concordia(verenigd in verscheidenheid). 

Joseph Weiler, een groot denker over Europese integratie, verwoordt het als volgt: het Europese project is “een ander type van politieke gemeenschap, waarvan het voornaamste kenmerk juist de bereidheid is om een bindende orde te aanvaarden die afkomstig van en voorkomt uit een gemeenschap van anderen.” (Een Christelijk Europa, p. 78). De Unie stelt ons, Nederlanders (of Duitsers, Polen, Grieken etc.) in staat om ons tot een ander, onze mede-Europeaan, te verhouden op een manier die gespeend is van “de arrogantie van het collectieve zelf”, maar met behoud van culturele, sociale en taalkundige eigenaardigheden. In andere woorden, het ‘Europa van de naties’, waar de nationalisten zo naar smachten, bestaat allang. 

Voor de christendemocratie ligt er dus een taak om tegenwicht te bieden aan zowel de roep om Europese verstatelijking als een nostalgisch terugverlangen naar de natiestaat. Is dat niet precies de opgave die in ‘een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren’ besloten ligt? 

Politie en Europa

Van 29 tot en met 30 maart vond het vormingsweekend van het CDJA weer plaats. Het immer goed georganiseerde weekend stond dit jaar in het teken van de rechtsstaat. Daarbij werd een en ander ook vanuit Europees perspectief belicht. Zo verzorgde de heer P.H. Donner een lezing over Europa en de rechtsstaat (zie daarvoor ook een ander artikel in deze Interruptie). Ook de rechtshandhaving kwam aan bod. Roeland Storm, verbonden aan de nationale politie en CDA-raadslid in Leiden, verzorgde een lezing over de rechtsstaat en handhaving. Roeland heeft ons tijdens deze lezing onder meer  geattendeerd op de successen en uitdagingen op het gebied van internationale politiesamenwerking. Ook de politie krijgt namelijk in toenemende mate te maken met Europa. Criminelen zijn niet gebonden aan grenzen en dus moet ook de nationale politie mee in de vaart der volkeren en is steeds meer internationale samenwerking met buitenlandse politiekorpsen vereist. In het hiernavolgende zal worden ingegaan op de kansen en problemen op het gebied van internationale samenwerking. 

Een belangrijk wapenfeit van de nationale politie in de strijd tegen criminaliteit in het internationale spectrum is het Verdrag van Prüm. Dit verdrag is op 27 mei 2005 in de Duitse stad Prüm ondertekend.

Het regelt de uitwisseling van informatie voor opsporingsdoeleinden alsmede de internationale politiesamenwerking. Zo maakt het verdrag het mogelijk sneller te reageren op noodsituaties.  Ook voor wat betreft de gegevensuitwisseling heeft het verdrag, aldus De Kinder, veel goed gedaan:

“Zo betekende voor België de recente start van de uitwisselingen van de DNA-gegevens met Frankrijk, de identificatie van maar liefst 1626 DNA-sporen die op een Belgische plaats delict opgenomen werden. Hieronder bevonden zich 38 DNA-sporen afkomstig van moorden en 45 van zedenzaken. In al deze gevallen werd er een verband bekomen tussen een spoor op een plaats delict en een persoon die in Frankrijk al veroordeeld werd voor criminele feiten, wat leidde tot een opname in de Franse DNA-databank.”

Maar ook wat betreft gedragsanalyses biedt de informatie die vrij komt dankzij het verdrag veel aanknopingspunten. “Zo bevat zij zeer interessante informatie over de structuur en de werking van criminele netwerken.” Internationale politiesamenwerking biedt dus veel mogelijkheden voor de opsporing van verdachten. Vaak genoeg blijkt echter dat er onvoldoende van deze mogelijkheden gebruik gemaakt wordt.

Toch is er nog veel te winnen. De criminaliteit in de grensgebieden neemt telkenmale toe. Tot dusver zijn veel politiekorpsen nog onvoldoende in staat geweest over hun eigen schaduw heen te stappen en gezamenlijke prioriteiten te stellen.  Op dit punt lijkt ook een rol voor Europese diensten weggelegd. Europol en Frontex ondersteunen de lidstaten bij de bestrijding van criminaliteit respectievelijk de grensbewaking.

Er is steeds meer politiek debat over de vraag of Europa meer invloed moet krijgen. Het is mijns inziens echter nog maar de vraag in hoeverre verregaande samenwerking tussen politiediensten succesvol mogelijk is. Internationale afspraken blijken in de praktijk niet altijd werkbaar of zijn onvolledig door de verschillende nationale implementatie van regelgeving. Ook samenwerking via zogenaamde Joint-Investigation Teams (JIT), onderzoeksteams van samenwerkende politiediensten, zijn vaak nog onvoldoende succesvol. In een rapport over internationale politiesamenwerking wordt geconstateerd dat “de verschillende agenda’s van de deelnemers, het ontbreken van een duidelijk gezamenlijk doel, en de slechte onderlinge verhoudingen de samenwerking via een JIT bij de bestrijding van internationale vrouwenhandel bemoeilijkte. De Joint Investigation Teams zijn ontworpen vanuit de gedachte dat dit een effectieve manier is om criminaliteitsproblemen internationaal aan te pakken. De samenwerking blijkt in de praktijk echter vaak traag, en bureaucratisch. Franse politiediensten zijn bijvoorbeeld in vele mate hiërarchischer dan de Nederlandse politiediensten. Van Nederlandse politieambtenaren wordt, meer dan de Franse politiediensten, gevraagd dat zij discussiëren met burgers.

Internationale samenwerking van politiediensten heeft, kortom, veel potentie. Er is een aantal punten waarop Europese politiediensten succesvol samenwerken.  Discussies over soevereiniteit bemoeilijken de internationale politiesamenwerking. Ten slotte kunnen ook cultuurverschillen de internationale samenwerking bemoeilijken. Rechtshandhaving roept niet alleen vragen op over rechtsstaat en democratie. Bezien vanuit Europees perspectief is er ook meer samenwerking mogelijk. Het is de vraag in hoeverre dat gewenst en mogelijk is. 

Bronnen:

Lammers, M. (2013). Catch me if you can. Using DNA traces to study the influence of offending behavior on the probability of arrest (diss. NSCR), 125 p., ISBN 9789462283381. 

Nieuwe DB’ers

Op het afgelopen voorjaarscongres zijn er 3 nieuwe DB’ers gekozen. Hieronder stellen zij zich aan je voor.

Pauline Maat – Communicatie & Campagne

Hoi allemaal! Ik ben het nieuw dagelijks bestuurslid Communicatie&Campagne, dus ik zal mezelf even kort voorstellen. Mijn naam is Pauline Maat, 22 jaartjes jong en ik woon in Nieuw-Vennep. Geen idee waar dat ligt? Ik kan de Schipholtoren vanuit mijn slaapkamerraam zien ;). Ik ben bijna klaar met mijn studie Commerciële Economie en doe mijn onderzoek op het partijbureau van het CDA. Daarnaast ben ik (jongste) raadslid in de gemeente Haarlemmermeer, voorzitter van de jeugdclub in de kerk, Tiny house initiatiefneemster en ik doe 1x in de maand vrijwilligerswerk in het verzorgingstehuis. Ik voel me vereerd dat ik deze functie mag gaan vervullen en heb er ook ontzettend veel zin in. Koffie drinken of heb je een vraag/opmerking/whatever? Bel/app/mail gerust!

Abel van de Sluis – Secretaris

Beste CDJA’ers, een aantal van jullie zullen me wellicht kennen als de hoofdredacteur van Interruptie. Na dit ruim 1,5 jaar te hebben mogen doen, ben ik afgelopen congres verkozen tot secretaris. Ik heb er zin in! Naast het CDJA doe ik natuurlijk nog veel meer: ik studeer politicologie in mijn huidige thuisstad Leiden, ben actief bij de studievereniging en ben lid bij de studentenroeiverening Njord. Binnen het CDJA ben ik actief geweest als bestuurslid bij de Leidse afdeling en als plaatsvervangend AB’er namens de provincie waar ik ben opgegroeid, Zeeland. Ook daar ben ik actief geweest voor het CDA, onder andere in het Algemeen Bestuur van CDA Zeeland en in het campagneteam voor de afgelopen Statenverkiezingen. Nu ga ik mij volledig richten op mijn DB-functie als secretaris. Bij vragen, tips of opmerkingen; neem vooral contact met mij op!

Robin Niemeijer – Penningmeester

Hey! Ik ben Robin Niemeijer en sinds afgelopen congres Penningmeester. Ik woon in het mooie Groningen. De afdeling waar ik afgelopen jaar met veel plezier voorzitter ben geweest. Ik zit in het derde jaar van mijn studie accountancy. Daarnaast ben ik nog vicevoorzitter van de medezeggenschap op de Hanzehogeschool. Waar ik mij hard maak voor onder andere studenten welzijn en de onderwijskwaliteit. We zijn en blijven tenslotte de onderwijspartij! Toen ik lid werd van het CDJA voelde ik mij direct thuis en heb ik veel vrienden ontmoet. Het CDJA is de perfecte combi tussen party en politics en heb er alle vertrouwen in dat we dat gaan voortzetten!

Wie was Groen van Prinsterer?

Zoals bij velen bekend is staat op het partijbureau van het CDA de schrijftafel van Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) (hierna: Groen). Daaruit spreekt een diepe verhouding tussen Groen en het CDA. Op 19 mei 2019 zal het precies 143 jaar geleden zijn dat hij overleden is. Reden genoeg om aandacht te schenken aan zijn leven, zijn denken en zijn erfenis. Wie was deze man? En wat heeft hij het CDA van vandaag de dag nog te zeggen? Om uit te leggen hoeveel het CDA te danken heeft aan Groen gebruik ik twee boeken: Vonken van heilig vuur (2001) en Politieke filosofie van de christendemocratie (2003). 

Den Haag

In dit eerste boek schrijft de hervormde predikant W. Aalders (1909-2005) het artikel ‘ontwikkeling tot christen-staatsman’ waarin hij Groen persoonlijk schetst. Wie Groen van Prinsterer wil kennen, die moet Den Haag kennen. Daar is hij op 21 augustus 1801 geboren en in de Waalse Kerk aan het Noordeinde gedoopt. Na zijn studie rechten en geschiedenis, het verwerven van de doctorstitel in de geschiedenis in Leiden en de tijd in Brussel als secretaris van het Kabinet van de Koning, keerde hij in 1839 in Den Haag terug om er zich blijvend te vestigen. In het huis aan de Korte Vijverberg, alwaar nu het kabinet van de Koning gehuisvest is, zijn twee gedenkstenen ter nagedachtenis van Groen en zijn vrouw aangebracht die nu nog te bezichtigen zijn.

Er staat geschreven

Begin 19eeeuw was in Nederland, onder leiding van Willem Bilderdijk (1756-1831), de zogenaamde Reveilbeweging ontstaan. Dit was een internationale opwekkingsbeweging waarbij het christelijk geloof betekenis kreeg voor het gehele leven. Er was een hernieuwde nadruk op de eenvoud van het christelijk geloof wat concreet gestalte kreeg in  het aanpakken van sociale misstanden. Het Christelijk-Sociaal Congres en de stichting Tot heil des Volks zijn hieruit voortgekomen. Groen was een leerling van Bilderdijk en probeerde de gedachten van het Reveil om te zetten naar de politieke werkelijkheid. Zo schreef hij: ‘ik kom wel voort uit het calvinisme, maar het Reveil is mijn vader’. Hij koos, in tegenstelling tot Abraham Kuyper (1837-1920), niet voor een dogmatische aanpak om het christendom politiek ingang te doen vinden. Hij stelde dat elke tijd vraagt om een eigen aanpak. Er is geen pasklare vertaalslag te maken van het christendom naar de actuele problemen van onze tijd. Daarom zei Groen: ‘de belijdenis waartoe men geroepen wordt, staat telkens in verband met de aard van de tijd waarin men leeft. Het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaar heeft, waar het belijden met lijden vergezeld gaat’. Om dit te belijden is ‘plichtsbetrachting en moed aan de orde van de dag’. Een voorbeeld hiervan is de schoolstrijd waarin Groen de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (CNS) oprichtte en geld bij elkaar haalde om bijzondere scholen op te kunnen richten. 

‘Het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaar heeft, waar het belijden met lijden vergezeld gaat’.

Er is geschied 

Groens handelen vond plaats vanuit een grondige bestudering van de historie. In 1846 schreef Groen het boek Handboek der Geschiedenis van het vaderland waarin zijn visie op de historie tot uitdrukking kwam. Waarin bestond deze? En hoe kan het ons in een grillige en vluchtige tijd van pas komen? Groen stelde vooraleerst dat God boven de geschiedenis staat en deze leidt, in tegenstelling tot wat ideologieën ons proberen voor te houden. De historie wordt daarmee vooral bepaald door de geschiedenis van de Kerk. Tegen deze achtergrond zag Groen de bijzondere vaderlandse geschiedenis die overeenkomsten vertoonde met de geschiedenis van het volk Israël. De drieslag ‘God, Nederland en Oranje’ kan gezien worden als een verwijzing naar deze visie op onze geschiedenis.

Tegen de revolutie

Als politicus stond Groen in zijn tijd alleen. Hij leefde in de 19eeeuw waarin de ideeën van de Franse revolutie (1789) zich steeds nadrukkelijker opdrongen. Groen bekritiseerde deze ideeën, maar was niet tegen de positieve resultaten die de revolutie had voortgebracht; zoals een einde aan machtsmisbruik van het ancien régime. Waar ageerde Groen precies tegen? In Ongeloof en revolutie,dat in 1847 verscheen, schreef hij dat de ‘verwerping van het Evangelie en de daarmee gepaard gaande zelfverheffing van de mens geleid hadden tot een omkering van denkwijze en gezindheid’. Hiermee bedoelde hij ‘de grondinstellingen van vrijheid en gelijkheid, volkssoevereiniteit, het maatschappelijk verdrag, conventionele herschepping die nu als hoeksteen van het staatsrecht worden vereerd’. 

Groens (rechts)staatsopvatting

Groen was dus kritisch over het sociaal contract dat door mensen was ontworpen en dus ook elk moment opzegbaar was. Wat stelde Groen tegenover de door mensen bedachte orde? Groen verwees naar de staat die voortkwam uit een historisch en natuurlijk proces. De staat is niet zomaar bedacht maar heeft een lange historische en een natuurlijke eenheid. Groen wilde de oude prerevolutionaire visie op de staat en het recht als een instelling van een hogere orde behouden en de positieve resultaten van de Franse revolutie zoals vrijheid van godsdienst, gelijkheid voor de wet, eenheid van het burgerlijk recht en afschaffing van bepaalde privileges voor de adel toevoegen.

De rechtsstaat zoals deze er nu bestaat is ‘als politieke erfenis van de christen-staatsman Groen van Prinsterer ons overgeleverd’ zo stelt Aalders. Ook Woldring wijst in zijn boek Politieke filosofie van de christendemocratieop Groen en zijn belang voor onze huidige rechtsstaat. Groen verbond de staat namelijk met het natuurrecht. Dit natuurrecht staat onafhankelijk van de mens en vormt de norm waarnaar mensen moeten handelen. In de natuurlijke orde en hiërarchie kent ook de staat een plaats. Net zoals er in een gezin natuurlijke hiërarchie is tussen ouders en kinderen kent de staat deze ook met haar burgers. Als hier vanaf wordt geweken ontstaat anarchie of despotisme. Alleen door het juiste midden te bewaren kan er vrede en recht gewaarborgd worden. 

Vruchten van Groens leven

Bovendien hebben we het bijzonder onderwijs en de rechtsstaat zoals deze nu is aan hem te danken.

De vruchten van Groens arbeid zijn indrukwekkend. Hij schreef een aantal invloedrijke werken zoals Ongeloof en Revolutieen was leidend in de antirevolutionaire beweging. Groen probeerde de klassieke traditie van het natuurrecht en het christelijk geloof steeds opnieuw actueel te maken.  Bovendien hebben we het bijzonder onderwijs en de rechtsstaat zoals deze nu is aan hem te danken. In zijn leven had hij steeds oog voor de historie en het Evangelie. Hij stelde dat de mens zichzelf niet gemaakt heeft maar vrucht is van vele generaties die uiteindelijk een oorsprong heeft in een Schepper. Het zou goed zijn als het CDA 143 jaar na het overlijden van deze Evangeliebelijder kennis neemt van de indrukwekkende erfenis die Groen ons nagelaten heeft. Zonder Groen geen CHU en zonder CHU geen CDA. We mogen hem diep dankbaar zijn.


Bronnen:

  • H. Woldring, Politieke filosofie van de christendemocratie. Eindhoven: Uitgeverij Damon, 2003(p. 90-101).
  • D. Van Dijk (red.), Vonken van heilig vuur. Heereveen: Uitgeverij Jongbloed,2001 (hoofdstuk 1).

De rechtsstaat is het #beschermenwaard

Op Europadag verzorgde Judith Sargentini de Europa lezing aan de Universiteit Leiden. Zij besloot haar lezing met de oproep om te stemmen ‘met verstand’. Om te stemmen op vertegenwoordigers die de rechtsstaat respecteren en handhaven wanneer deze in de Europese Unie onder vuur ligt (Universiteit Leiden 10 mei 2019).

Als CDA-lid voelde ik me daar niet helemaal op mijn gemak. In een eerdere editie van de Interruptie (30 jaar Interruptie) schreef ik een bijdrage over de aftakeling van de rechtsstaat in Hongarije. De aftakeling die toen al in een veel te ver stadium was gevorderd, die plaatsvond terwijl Fidesz nog altijd deel uitmaakte van de Europese Volkspartij (EVP) en die bovendien door diezelfde EVP niet uitdrukkelijk werd veroordeeld.

We kunnen nu natuurlijk een Weber-shirtje aantrekken en campagne voeren voor de EVP. Toch vind ik het moeilijk om mij met enthousiasme achter de Spitzenkandidatuur van deze ‘Bavarian & European’ te scharen. Het Spitzenkandidaten-systeem werkt als volgt. De Europese Raad draagt, naar wens van het Europees Parlement, een persoon voor als voorzitter van de Europese Commissie. Iedere partij heeft zijn eigen Spitzenkandidaat, en de kandidaat van de partij die het grootste wordt bij de Europese Parlementsverkiezingen, wordt de voorzitter van de Commissie. Het idee is dan ook dat de keuze voor de voorzitter een afspiegeling vormt van de zetelverdeling in het Europees Parlement (Eijsbouts e.a. 2015). Dit systeem stamt uit 2014 met Jean-Claude Juncker als uitkomst.

Deze verkiezingen zijn dus de eerste waarin het Spitzenkandidaten-systeem op de proef kan worden gesteld. Wordt opnieuw de kandidaat van de grootste partij Commissievoorzitter? In dat geval zal Weber hoogstwaarschijnlijk de nieuwe voorzitter worden. Toch is dat niet vanzelfsprekend. Uiteindelijk ligt de keuze voor de voordracht bij de Europese Raad, en niet het Parlement. De regeringsleiders moeten Weber (willen) voordragen. Macron beschouwt zich niet gebonden aan de kandidaten die het Parlement aandraagt. Ook bestaat er enige frictie tussen Weber en Merkel. Bovendien zal het verschil in formaat tussen de EVP en de overige fracties afnemen, wat de positie van Weber ook zwakker maakt (NRC 15 mei 2019).

Nu even terug naar de rechtsstaat in Hongarije en het handelen van de EVP. Judith Sargentini weet als geen ander wat er mis is gegaan in Hongarije. Zij is namelijk auteur van het rapport over de rechtsstaat in Hongarije dat in september 2018 werd aangenomen door het Europees Parlement. Op basis van dit rapport begon de befaamde ‘Artikel 7-procedure’ tegen Hongarije.

Dat het zo lang duurde voordat werd ingegrepen, terwijl dit bij Polen wel sneller gebeurde, laat zien dat Orbán lang heeft kunnen profiteren van de loyaliteit binnen de EVP. De persvrijheid, de vrijheid van onderwijs, eerlijke gerechtelijke procedures: het is inmiddels allemaal niet vanzelfsprekend meer in Hongarije. En dan lijkt het uithongeren van asielzoekers dat wel te zijn geworden. Toch gaf dit voor de EVP lange tijd onvoldoende aanleiding om tot serieuze maatregelen over te gaan (NRC 13 mei 2019).

Pas eind maart 2019 ging de EVP over tot schorsing van Fidesz. De aanleiding? Een anti-EU-campagne met Juncker als middelpunt. De structurele aftakeling van de rechtsstaat, het uithongeren van asielzoekers en de haatcampagne die Sargentini eind 2018 over zich heen kreeg, vormden blijkbaar onvoldoende reden om tot ingrijpen over te gaan. Bovendien is het ingrijpen via een schorsing een milde manier van handelen, waarbij de EVP in het Parlement gewoon verder werkt met Fidesz (Trouw 21 maart 2019).

Dat zegt meer over de EVP dan over wat er in Hongarije gebeurt. De EVP wil(de) het eigen hachje redden met daarbij de toekomstige positie van Weber. Vlak voor de EVP tot schorsing overging omschreef Luuk van Middelaar het handelen binnen de EVP als volgt: “Het is typisch voor het opportunisme van die partij. Fidesz is nu elf zetels waard in het Europees Parlement, dat kunnen er straks mogelijk twaalf of dertien worden. Ook al hebben ze die wellicht niet nodig om de grootste Europese fractie te blijven, speelt dat blijkbaar wel mee.”. Een geval van “eerst de meerderheid, dan de moraal” (De Morgen 8 maart 2019). 

Om met de CDA-campagnetermen te spreken: de rechtsstaat is in de hele Uniehet #beschermenwaard. Ik betreur dat een stem op het CDA uitpakt in een stem op de EVP, omdat ik me afvraag of dat een stem ‘met verstand’ is. De EVP heeft gekozen voor de eigen positie en die van Weber, in plaats van de rechtsstaat in Hongarije. Meerderheid voor moraal. Nu wordt de verstandige CDA-kiezer voor een lastig dilemma gesteld.

Dit is het eerste deel van de tweeluik ‘De rechtsstaat is het #beschermenwaard’. In het volgende deel zal dieper worden ingegaan op de bescherming van de democratische rechtsstaat in de EU.

Hoe redden we het Grand Hotel Europa?

Met een gesprek tussen de fictieve wijsgeer Patelski en de protagonist, laat Leonard Ilja Pfeijffer in zijn nieuwe roman Grand Hotel Europa het verleden, heden en de toekomst van Europa zien. Van de dialoog tussen de schrijver en de wijze oude man kunnen we veel leren. Volgens de mannen zijn de culturele verworvenheden van het continent te koop gezet en terwijl we uit alle macht de influx van ongewilde migranten weren, verwelkomen we eindeloze stromen toeristen uit met name Azië. Hoewel de aandacht door Europeanen graag wordt beperkt tot onze culturele prestaties, weten we heel goed dat Europa alleen heeft kunnen bloeien door economische en militaire superioriteit. Terwijl we zelf nog druk zijn met het preserveren en beschermen van onze eigen cultuur zijn we voorbijgestreefd door grote delen van de rest van de wereld. En met het verlies van die positie zijn we ook ons gezag kwijtgeraakt. Europa heeft zijn invloed op de toekomst verloren. De protagonist beweert dat er dagen voorbij gaan dat de Chinezen niet aan ons denken. ‘Europa produceert niet meer’; om de Chinese zelfverrijking te faciliteren en onze eigen ondergang te administreren hebben we een fijnmazige diensteneconomie aangelegd.’ ‘We hebben in feite niets meer te verkopen dan ons verleden.’

Hoewel de fictieve dialoog op een enigszins bombastische wijze een inktzwart beeld schetst, bevat het wel degelijk elementen van waarheid. Terwijl we in Europa weinig veranderd lijken te zijn is de wereld om ons heen een ware metamorfose ondergaan. We dachten met een mix van democratie en liberalisme een onbezorgde toekomst tegemoet te gaan, maar het verloop van de tijd had iets anders voor ons in petto. De 75 jaar vrede die we in Europa hebben ervaren heeft ons doen sluimeren en mede daardoor hebben we niet voldoende oog gehad voor innovatie en vernieuwing en is verandering uitgebleven. Vanuit de NAVO hebben we stevig geleund op de Verenigde Staten om ons te beschermen tegen bedreigingen van zowel binnen als buiten ons continent. President Trump ziet dit (wellicht terecht) als oneerlijk en heeft beloofd daar verandering in te brengen. Met als gevolg een verward en gesegregeerd Europa met 28 losstaande en verschillende defensieapparaten. En dat terwijl we leven in een tijd waarbij Rusland zich in toenemende mate militair lijkt te bemoeien met de landen rondom het Europese continent.

Terwijl Rusland zich met name voordoet als militaire vijand, komt China steeds meer uit de verf als een economische bedreiging. Met het grootste economische project ooit ondernomen, probeert de Chinese premier Xi Jingping Europese lidstaten te charmeren met ongekend grote investeringen in wegen, havens en andere infrastructuur. Het One Belt & One Road Initiative richt zich met name op landen die dergelijke investeringen/renovaties van hun infrastructuur broodnodig hebben Daarbij bestaat het risico dat, wanneer een dergelijk land niet in staat is haar leningen terug te betalen, dat land eigendommen zoals vitale infrastructuur zal moeten afstaan met als gevolg een verlies van soevereiniteit en politieke invloed. Deze infrastructuur beperkt zich niet tot de fysieke ruimte, maar is ook gericht op de nodige verbindingen van de nieuwe digitale wereld. 

Een groot gedeelte van onze toekomst wordt momenteel vormgegeven door de technologiereuzen zoals Google, Facebook, Amazon en AliBaba. Deze bedrijven zijn met name Chinees of Amerikaans en zijn in staat door hun eindeloze zeeën van data en superieure algoritmes onze digitale toekomst te bepalen. Europa blijft achter als het gaat om het bedenken, ontwerpen en produceren van de technologieën van de toekomst. Investeringen in technologieën zoals Kunstmatige Intelligentie, Biotechnologie en kwantumtechnologie zijn noodzakelijk om relevant te blijven in een moderne economie. 

Terwijl de wereld om Europa heen onherkenbaar verandert, is het continent verwikkeld in een worsteling met zichzelf. Neem Groot-Brittannië, dat heeft besloten de Europese Unie te verlaten, maar vooralsnog alleen weet wat het land níét wilt. Of wat te denken van Hongarije dat zich niks aantrekt van de rest van de lidstaten en er een eigen plan op nahoudt. En om nog maar te zwijgen van de populistische rechts-nationalistische beweging die zich (wederom) roert en zich opmaakt een grote slag te slaan tijdens de Europese Verkiezingen en de gevestigde politieke orde een flinke nederlaag toe te brengen. Politieke bewegingen en partijen die terug willen naar een 19e-eeuws Europa, maar daarbij geen enkele oplossing aandragen voor de grensoverschrijdende problematiek waar Europa momenteel mee geconfronteerd wordt. 

Hoewel interne verschillen in een democratie geen enkel probleem zijn, zou de Europese Unie vaker samen eensgezind moeten optreden. Er is dringend behoefte aan verbinders die problemen niet alleen herkennen en benoemen, maar ook met realistische oplossingen komen. Op 7 mei mocht onze eigen Wopke Hoekstra de Humboldt-Rede zu Europa houden. Daarin herkent en beschrijft hij de voornaamste bedreigingen voor Europa: migratieproblematiek, achterlopen op digitalisering, geopolitieke bedreigingen vanuit Beijing en Moskou en een ongecoördineerd Europees defensieapparaat. De Minister van Financiën zette zijn betoog voort door zich uit te spreken voor collectieve oplossingen. Het coördineren en intensiveren van militaire samenwerking op Europees niveau om zodoende een vuist te maken tegen buitenlandse bedreigingen, het aanpakken van lidstaten die maling hebben aan de Europese afspraken en daarmee andere lidstaten dupeert en het massaal investeren in de economie van de toekomst. 

Ook de Spitzenkandidaat van de Europese Volkspartij, Manfred Weber, laat in een interview voor de Christen Democratische Verkenningen weten dat de EU zich economisch en militair krachtiger moet opstellen. Zo wil hij 10.000 grensbewakers aanstellen die helpen de buitengrenzen van Europa te verstevigen en wil hij intensievere samenwerking voor de ontwikkeling van moderne militaire middelen. Ook economisch wil hij een vuist maken richting krachten vanuit niet-Europese landen, maar dat is alleen mogelijk door intensiever samen te werken. 

Op een bepaald punt in de roman van Pfeijffer krijgt de geliefde van de protagonist een aanbod om in de dependance van het Louvre in Abu Dhabi te gaan werken. Nadat hij met pijn in zijn hart moet aanhoren dat zijn geliefde de baan aanneemt, houdt hij een speech ter ere van Europa:

Ik wil een patriot zijn van de Europese Unie, die dag in, dag uit worstelt met achterhaalde nationale deelbelangen en moedig blijft worstelen. Niemand houdt van de Europese Unie, maar ik wel. Ik houd van de poëtische traagheid en de kloekmoedige taaiheid waarmee dit wereldwonder van complexiteit en compromissen wordt vormgegeven. De bouw van de dom van Milaan duurde ook vierhonderd jaar. En terwijl Europa in de jacht naar economische groei, vooruitgang en toekomst zit vastgeklonken aan zijn verleden, als een sprinter die met een springveer vastzit aan het startblok, en aan alle kanten wordt voorbijgestreefd door de rest van de wereld, geef ik Europa gelijk dat het zijn verleden weigert los te laten omdat wortels belangrijker zijn dan bestemmingen. Laat de wereld lemmingen zijn, dan zijn wij een kromgetrokken pijnboom. En in de schaduw van die pijnboom, waar in de loop der eeuwen al zoveel dichters hebben gezeten, daar kan ik schrijven. Hier in de woestijn zou de inkt van mijn pen uitdrogen. Om te kunnen ademen, denken en schrijven moet ik in gesprek blijven met de traditie. Ik heb Europa nodig om te kunnen bestaan.

Zelfs als blijkt dat het Grand Hotel Europa inderdaad in de uitverkoop is gezet, mogen we berusten in het gegeven dat Europa beschikt over competente leiders en kritische schrijvers om van Europa een continent te maken dat we door kunnen geven aan de volgende generatie. Europa is onmiskenbaar voor ons voortbestaan.  

Terugblik vormingsweekend 2019: christendemocratie en rechtsstaat

Op vrijdag 29 maart en zaterdag 30 maart vond het jaarlijkse vormingsweekend in Heiloo plaats waar we met een groep CDJA’ers nadachten over ‘christendemocratie en rechtsstaat’. Drie CDA’ers gaven een inleiding op deze thematiek. Dhr. Ten Napel legde uit waar het idee van de rechtsstaat vandaan komt. Dhr. Donner schetste de bedreigingen voor de rechtsstaat en formuleerde een christendemocratisch antwoord. Dhr. Storm illustreerde deze twee lezingen met praktijkvoorbeelden uit het politiewerk.

Natuurrecht en grondrechten

Mr. dr. H. M. Ten Napel legde uit hoe nauw de rechtsstaat samenhangt met het natuurrechtelijk denken. Een voorbeeld hiervan is te zien in de Declaration of Independence die tijdens de oprichting van de Verenigde Staten ondertekend werd. Hierin staat dat: “All men are created equal and are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.” In deze openingszin wordt verwezen naar natuurlijke rechten die uit de menselijke natuur voortkomen. Deze objectieve rechten, die uit het mens-zijn voortvloeien, zijn niet zomaar verzonnen maar hebben een objectieve grond. 

Wat we vandaag de dag meemaken is een ‘debasement of human rights’, zo stelde dhr. Ten Napel in navolging van een gelijknamig boek van Aaron Rhodes. Hiermee bedoelt hij dat de klassieke rechten aan belang hebben ingeboet doordat we niet meer vasthouden aan deze natuurlijke orde waar we mensenrechten aan kunnen ontlenen. Er is een wildgroei aan tweede- en derde generatie grondrechten ontstaan wat gevaarlijk is voor het stabiele en de betrouwbare karakter dat een rechtsstaat moet hebben.

Democratie en rechtsstaat

Een andere manier waarop de objectieve werkelijkheid wordt ontkend werd aangestipt door mr. P. H. Donner. Er is volgens hem een nieuw soort van politiek ontstaan waarin politici zich richten op emoties, beelden en oorzaken waarbij de zakelijke werkelijkheid niet meer voorkomt of wordt ontkend. Deze nieuwe vorm van politiek komt niet zomaar uit de lucht vallen maar heeft een voedingsbodem in vier maatschappelijke veranderingen:

Er is volgens Donner een nieuw soort van politiek ontstaan waarin politici zich richten op emoties, beelden en oorzaken waarbij de zakelijke werkelijkheid niet meer voorkomt of wordt ontkend.

  1. Digitalisering:hierdoor verdwijnt de scheiding publiek-privaat. Men kan zich vanuit de huiskamer direct mengen in het publieke debat. Bovendien verandert het publieke debat door permanente bereikbaarheid en een voortdurende stroom aan informatie. Dit komt door de manier waarop we communiceren (onpersoonlijk, vluchtig en in beelden), de wijze waarop we redeneren (concreet vs. abstract) en de intelligentie die we daarbij gebruiken (artificieel i.p.v. menselijk). Het publieke debat wordt daardoor emotioneel in plaats van een zakelijke uitwisseling van standpunten. 
  2. Structurele verschillen: een tweede maatschappelijke verandering is het structureel worden van economische en sociale verschillen. Groeiende welvaart leidt niet langer tot integratie maar tot segregatie. Een voorbeeld hiervan is dat ‘gezond leven’ zich concentreert bij het gegoede deel van de bevolking. Het gevolg is dat groeiende groepen hun maatschappelijke positie achteruit zien gaan zonder dat hun kinderen die ontwikkeling kunnen keren. Men zal als kiezer geen belang meer hebben bij de bescherming van deze maatschappelijke orde en zich richten op nieuwe stemmen in de politiek die wel hoop en verandering bieden.
  3. Wederzijdse afhankelijkheid: in toenemende mate zijn individuen en staten van elkaar afhankelijk. Dit hangt samen met digitalisering, de mogelijkheid om snel grenzen te passeren en grensoverschrijdende vraagstukken. We hebben bijvoorbeeld andere landen in Europa nodig op het gebied van klimaat en defensie.
  4. Verschuivende machtsverhoudingen: Deze ontwikkelingen vinden plaats tegen de achtergrond van verschuivende machtsverhoudingen in de wereld. China is vermoedelijk nu al de grootste economie en India de 3eof 4e. De Verenigde Staten zijn hun leidende rol in de handhaving van internationale orde aan het afbouwen en China werkt in stilte aan een eigen orde in de wereld. Hiermee verdwijnt een wereldorde waarin Europese landen disproportioneel voordeel hadden omdat ze economisch, politiek en qua veiligheid meedreven. Europa wordt langzamerhand een schiereiland aan een enorm continent in een van de onrustigste hoeken van de wereld. Er is niemand meer om achter te schuilen. Dat dwingt Europa om zich te richten op de kern: veiligheid, zekerheid en invloed. 

Een veranderende democratie

Deze maatschappelijke veranderingen bieden de voedingsbodem voor een nieuwe soort van politiek die het functioneren van de democratie verandert. Sinds de jaren ’70 is er op allerlei manieren geprobeerd om het functioneren van de democratie aan te passen (middels grass roots politics, referenda, primaries, directe verkiezingen etc.). In Nederland kwam bijvoorbeeld D66 op, die het functioneren van de democratie aan de orde stelde. Volgens Donner leiden deze veranderingen echter niet tot een toename in vertrouwen maar juist in meer onvrede over het functioneren van de democratie.

Bovendien laat de opkomst van partijen als LPF, PVV en FvD juist zien dat de democratie uitstekend functioneert. We zijn geneigd populisme te zien als disfunctioneren van de democratie maar populisme is zo oud als de moderne democratie. In de jaren ’30 van de 19eeeuw was Andrew Jackson al eenzelfde verschijnsel als Trump. En was D66 indertijd niet net zo populistisch als Baudet nu? Donner merkt op dat partijen als PVV en FvD niet als normale nieuwe democratische partijen gezien moeten worden. Hun (strijd)taal en ideeën vormen een bedreiging voor de democratie zoals wij die nu begrijpen. Donners punt is echter dat we deze partijen niet als symptoon van het disfunctioneren van de democratie moeten zien. 

De beknelde rechtsstaat

Wat zijn de consequenties van deze maatschappelijke en democratische veranderingen voor de rechtsstaat? Volgens Donner bestaat de neiging van het populisme om de praktische werkelijkheid te negeren ook ten aanzien van de rechtsstaat en de constitutie. De rechtsstaat bestaat om willekeur en ongeremde machtsuitoefening van volkssoevereiniteit en directe democratie aan banden te leggen. Het nationale populisme dat via macht en waar nodig met kracht gewenste resultaten probeert te bereiken gaat direct in tegen de rechtsstaat als pijler van Europese samenwerking.  In een aantal landen zoals Polen en Hongarije is het al tot een botsing gekomen tussen populistische partijen en de beperkingen van de rechtsstaat. Lidstaten zouden er op moeten kunnen vertrouwen dat elders gelijke rechtsbeginselen worden geëerbiedigd maar in plaats daarvan wordt er getornd aan fundamentele principes. Ook Nederland moet oppassen voor het discours dat de vertegenwoordigende democratie niet meer werkt en dat de instituties van de vertegenwoordigende democratie zomaar bij het oud vuil worden gezet.

Het Franse ‘pouvoir’, het Italiaanse ‘potere’ en het Engelse ‘power’ betekenen naast macht ook ‘kunnen’.

Het christendemocratische antwoord

Wat is het christendemocratische antwoord op de verleiding van makkelijke machtsantwoorden? Donner wees eerst op de dubbele betekenis voor macht die in andere talen beter tot uitdrukking komt. Het Franse ‘pouvoir’, het Italiaanse ‘potere’ en het Engelse ‘power’ betekenen naast macht ook ‘kunnen’. Macht is dus mogelijkheid. Het is het vermogen om dingen tot stand te brengen. Als ik iets samen tot stand wil brengen ontstaat er een probleem. Die ander moet dan wel mee willen werken. Dat is een tweede kant van macht; het is niet alleen het vermogen om te doen, maar ook het vermogen om het doen van een ander te blokkeren.

Macht is dus een relationeel begrip. Macht moet daarom gegeven worden. Vandaar dat dwang en geweld een belangrijke rol spelen bij macht. Een natuurlijke vorm om macht te verkrijgen gaat via samenwerking, overtuiging, afspraak of contract. De overheid heeft macht gekregen van ons burgers om regels te stellen en lasten op te leggen. De overheid is van haar burgers afhankelijk om macht te verkrijgen net zoals burgers van de overheid afhankelijk is in het opstellen en handhaven van recht. Het is dan ook niet zinvol om recht en macht tegenover elkaar te stellen. ‘Recht zonder macht is krachteloos maar macht zonder recht is tiranniek. Daarom moeten we het daarheen leiden dat recht machtig is en macht rechtmatig’ schreef Blaise Pascal al. Het christendemocratisch antwoord op het populisme zal altijd beide kanten van de medaille benadrukken.

Rechtsstaat in de praktijk 

De laatste lezing werd gegeven door dhr. Storm. Hij illustreerde deze paradox met zijn ervaringen uit zijn werk als rechercheur en politiekundige. Door een aantal casussen uit de praktijk te bespreken kwam de paradox tussen macht en recht tot leven. Ook vertelde hij over de vorming van de Nationale Politie en de ontwikkelingen die nu gaande zijn in dat proces. We kijken al met al terug op een geslaagd weekend en bedanken de toegewijde mensen van het bedevaartsoord in Heiloo voor de gastvrijheid en de rondleiding, de sprekers voor hun bijdrage en alle deelnemers voor hun inzet.


Politieke update

In de vorige politieke update schreef ik dat wij als CDJA in een periode van slechts drie maanden (november – februari) veertien resoluties aangenomen hebben. In de afgelopen twee maanden (maart – april) is er in vergelijking met de maanden daarvoor slechts een klein aantal – twee – resoluties aangenomen door het Algemeen Bestuur. Dat wil echter niet zeggen dat de werkgroepen niet druk bezig zijn! Er liggen heel wat conceptresoluties op de planken die tijdens de werkgroepenavonden worden besproken of al besproken zijn. Bovendien worden conceptresoluties sinds afgelopen maand zoveel mogelijk op het online platform op de website van het CDJA geplaatst. Hier kun je resoluties ‘liken’ en ‘disliken’ en van opmerkingen voorzien, die de werkgroepen zullen meenemen in het verdere opstellen van de resoluties. Op deze manier kunnen leden die niet zo gauw de tijd of mogelijkheid hebben naar de werkgroepenavonden te komen ook deelnemen aan de politiek-inhoudelijke discussie tijdens het opstellen van resoluties. Doe dus mee en laat je mening horen! 

Daarnaast vond op 10 en 11 mei het CDJA-congres plaats. Op dit congres werd onder meer het nieuwe grondslagenrapport van het CDJA voorgelegd aan en vastgesteld door de Algemene Ledenvergadering. In het grondslagenrapport staat beschreven wat nou de eigenlijke uitgangspunten zijn van het CDJA. Aan de hand van de vier kernwaarden solidariteit, rentmeesterschap, gespreide verantwoordelijkheid en publieke gerechtigheid wordt uitgelegd hoe wij als CDJA politieke onderwerpen willen benaderen. In een volgende Interruptie zal het grondslagenrapport uitgebreider aan bod komen. Op het CDJA-congres zijn ook weer een aantal resoluties van afdelingen aangenomen.

Aangenomen standpunten 

In de maanden februari en maart zijn de volgende resoluties door het Algemeen Bestuur aangenomen: 

  • Resolutie integrale en regionale cultuurversterking (OCW):

De afgelopen jaren is er veel bezuinigd op kunst en cultuur. De Raad van Cultuur en de Sociaaleconomische Raad (SER) concludeerden onlangs dat daardoor de cultuursector is verschraald en uitgehold. De Raad van Cultuur heeft daarom een voorstel gedaan om op regionaal niveau versterkingen van de cultuursector te bewerkstelligen, met name als het gaat om subsidies. Als CDJA staan wij hierachter. Tegelijkertijd zien wij dat veel subsidieregelingen van gemeenten niet op elkaar zijn afgestemd. Hierdoor kunnen culturele initiatieven op lokaal en regionaal niveau niet altijd goed van de grond komen. Daarom spreken wij in deze resolutie uit dat deze subsidies goed op elkaar moeten zijn afgestemd en dat er meer oog moet zijn voor de rol die cultuur heeft in de bredere maatschappij. 

  • Resolutie versterking culturele infrastructuur (OCW):

In het verlengde van bovenstaande resolutie pleit het CDJA voor meer investeringen op regionaal en lokaal niveau in de culturele sector. Het is op dit moment echter niet goed duidelijk hoeveel investeringen het vergt om een goede culturele basisinfrastructuur te creëren. Onder die basisinfrastructuur verstaan wij onder meer cultuurcentra en –podia, organisatiemogelijkheden voor voorstellingen, amateurkunst, toegankelijkheid voor de jeugd enzovoort. Wij pleiten in deze resolutie voor een onderzoek naar de culturele behoeften per regio en voor overheidsinvesteringen op basis van de behoeften die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen.  

Overig nieuws 

  • Er zijn op dit moment vijf vacatures binnen de werkgroepen, te weten de vacatures voor werkgroepvoorzitter Europa, werkgroepvoorzitter OCW, werkgroepvoorzitter JBB, werkgroepvoorzitter DNL en werkgroepvoorzitter VWS. Deze zijn inclusief een functieomschrijving op de website van het CDJA te vinden. Interesse? Vragen en sollicitaties kunnen per mail gestuurd worden naar politiek@cdja.nl. Sollicitaties moeten binnen zijn vóór maandag 27 mei. Hierna word je benaderd voor een sollicitatiegesprek en wordt je eventueel als kandidaat voorgedragen aan het Algemeen Bestuur op 19 juni 2019. 
  • In de AB-vergadering van 13 maart is Diederick van Wijk verkozen tot de nieuwe internationaal secretaris van het CDJA en werd Peter Buiting herkozen als adjunct internationaal secretaris. Diederick en Peter, van harte gefeliciteerd met jullie (her)verkiezing en veel succes in de komende periode! Voor vragen over het internationaal werk van het CDJA kun je mailen naar d.vanwijk@cdja.nlof ais@cdja.nl
  • Tegelijkertijd nemen wij afscheid van onze oud-internationaal secretaris Carlo de Witte. Als internationaal secretaris heeft hij met overtuiging onze vereniging vertegenwoordigd in het YEPP. Carlo, ontzettend bedankt voor jouw inzet in het afgelopen jaar! 
  • Op 27 en 28 juni vindt het jaarlijkse PJO-parlement plaats. Voor vragen over deelname kun je zoeken naar het Facebookevenement of een mail sturen naar politiek@cdja.nl. Er zijn nog zo’n acht plaatsen beschikbaar, dus meld je snel aan als je mee wilt doen!

Heb je vragen over de werkgroepen of wil je je misschien bij de werkgroepen aansluiten? Stuur mij dan een mail via politiek@cdja.nl

Onninks opstel

Je moet het maar durven… je vrienden vertellen dat je op Jimmy Bastings van het CDA hebt gestemd bij de Europese verkiezingen. Afgelopen provinciale verkiezingen stemde nog maar 7% van de mensen onder de 35 op het CDA. Terwijl nog eens 40% van de kiesgerechtigden thuis bleven. Niet gek dat je je best vaak moet verantwoorden waarom je als jonge gast nog op die christendemocraten stemt, zou je zeggen. 

Nou, eigenlijk best wel gek. Als jonge CDA’ers staan wij in een bijzondere traditie. Christendemocraat zijn is iets wat we met trots mogen uitdragen. Het betekent staan voor idealen. Voor een betere samenleving en een betere wereld. Voor vooruitgang en samenwerking. Wij zijn de partij van Lubbers, van Agt en Merkel en wanneer je ‘ik weet eigenlijk nog niet zo goed wat ik vind’-D66 vrienden zeggen dat ze “voor Europa” hebben gestemd, vergeten zij dat onze partij de drager is van het Europese ideaal en de grondslag voor Europese samenwerking.  

Een poos geleden sprak ik Orry van de Wauwer, Vlaams parlementslid en Jong CD&V’er. Orry en zijn makkers noemen zichzelf Tsjeven. Tsjeef is een oud-Vlaams scheldwoord dat gebruikt wordt tegen christenen om hun katholieke streken en zogenaamde politieke elleboogwerk. Tsjeef is zegmaar een soort geuzennaam. Het zegt iets van ‘fuck it, wij zijn christendemocraten, daar zijn we trots op!’ 

Het CD&V heeft afgelopen verkiezing goed gescoord onder jongeren, mede door kieslijsten die goed gevuld waren met fiere Tsjeven. Daarnaast weet het Jong CD&V steeds meer jonge leden in te schrijven, van elk opleidingsniveau, van elke sekse en van elke culture achtergrond. Wellicht moeten wij als CDJA ook iets meer Tsjeef zijn. 

Hielke Onnink is sinds 11 mei voorzitter van het CDJA.

Contact

Beste

We helpen jou graag aan een antwoord op al je vragen over Interruptie. Stel ze gerust in het contactformulier op deze pagina.