Softdrugs

Het CDJA wil gecontroleerde een gecentraliseerde legalisering van softdrugs. De huidige aanpak van gedoogbeleid werkt niet. Er zijn namelijk veel problemen met jongeren die slecht presteren door drugsgebruik, er is nog steeds veel overlast rond coffeeshops, de controle van wietplantages kost veel (politie)capaciteit en tenslotte is er in de grensregio’s erg veel overlast van drugsgebruikers en drugsrunners. Kortom, dit kan niet langer zo doorgaan.

Als het aan het CDJA Ligt wordt het aantal coffeeshops sterk gereduceerd en gecentreerd op strategische plaatsen. Iedere overblijvend verkooppunt van softdrugs krijgt een eigen verzorgingsgebied en wordt strikt door de overheid gereguleerd. Hierdoor blijft het voor personen mogelijk om aan softdrugs te komen, maar niet langer op elke hoek van de straat. De randvoorwaarden van de verkooppunten van softdrugs worden geoptimaliseerd voor gebruikers en omwonenden. Dat wil zeggen dat de verkooppunten er mooi uitzien, goed bereikbaar zijn, voldoende parkeergelegenheid hebben en een eind van woonkernen afliggen, zodat omwonenden geen overlast zullen ondervinden. Zo is het mogelijk de overlast van softdrugsgebruik voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken en is softdrugsgebruik niet langer één van de typerende elementen van het Nederlandse straatbeeld. Dit alles wordt geregeld, zónder dat de overheid intreedt in de private levenssfeer van mensen (thuisgebruik blijft namelijk toegestaan).

De productie van wiet zal voortaan door de overheid worden gereguleerd. Alle geldstromen van de productie én consumptie van softdrugs zullen hierdoor worden gereguleerd door de overheid, zodat er geen zwarte geldstromen meer zijn. Bij de door de staat uitbesteedde en gereguleerde productie van wiet wordt er streng gelet op kwaliteit en THC-gehalte. Dit is de enige weg waarop de scheidslijn tussen soft- en harddrugs kan worden gehandhaafd. Het gemiddelde THC gehalte in cannabis is inmiddels zo hoog dat niet langer gesproken kan worden van cannabis als een softdrug. Gezien het huidige beleid en het kinderlijke gemak waarmee jongeren zich cannabis kunnen verschaffen is dit erg zorgelijk. Het CDJA ziet het als de plicht van de overheid hier tegen op te treden, zich daarbij ook beroepend op de zorgplicht van de overheid. Als de staat de wietteelt volledig reguleert is daarbij zowel de kwaliteit als het niet-te-hoge THC-gehalte gewaarborgd, dit is de enige manier en daardoor noodzakelijk. Ook vergt dit softdrugsbeleid niet te veel van de schaarse publieke middelen. Immers, alle geldstromen zijn transparant voor de overheid en te denken valt ook aan belastingheffingen en accijnzen.

Alleen gebruikers van 18+ mogen nog naar binnen in de softdrugsverkooppunten. Dit kan eenvoudig worden gecontroleerd door legitimatie verplicht te maken. De huidige leeftijdsgrens is 18+ maar hier is geen absolute controle op. De kans dat jongeren beneden de 18 aan softdrugs kunnen komen moet echt worden uitgesloten. Op jonge leeftijd brengt cannabisgebruik voor jongeren onacceptabele risico’s met zich mee. Doordat in het No Nonsense Model de verkooppunten strikt gereguleerd en groots opgezet zijn zullen slechts gebruikers of bezoekers worden toegelaten die voldoen aan de leeftijdseis. Dit scheelt enorm in politiecapaciteit. Daarnaast komen jongeren niet in aanraking met coffeeshops die in handen zijn van een crimineel netwerk met bijbehorende risico’s vandien. Bij deze risico’s kan gedacht worden aan zware vormen van criminaliteit als mensenhandel, handel in harddrugs en andere vormen
van zware criminaliteit. Hierbij legt het softdrugsbeleid niet een te groot beslag op de politiecapaciteit of op de schaarse publieke middelen.

Er wordt een maximum hoeveelheid drugs per gebruiker verkocht. Ook dit kan worden gecontroleerd door middel van de verplichte legitimatie. Dit beleid geldt overigens ook voor buitenlandse gebruikers. Met deze maximum hoeveelheid wordt gewaarborgd dat binnen dit model slechts consumptie mogelijk is. Met verplichte legitimatie wordt tevens de leeftijdsgrens gewaarborgd en kunnen ook buitenlandse gebruikers niet langer anoniem softdrugs bemachtigen. Dit laatste kan de stroom drugstoeristen en drugsrunners, met name in de grensregio’s, beperken. Hierbij wordt ook een pasjessysteem gehanteerd.

Er komt een veel hardere aanpak van alle overige soft-en harddrugs die buiten de gereguleerde verkooppunten wordt geproduceerd, geconsumeerd of verhandeld. Dit zero-tolerance beleid wordt mede mogelijk gemaakt van de
opbrengsten van de gereguleerde softdrugsproductie en verkoop. Het vormt ook een signaal dat drugsgebruik niet normaal is en moreel gezien onwenselijk. Hiermee bevestigt dit beleid het beeld van een geloofwaardige overheid. Drugsgebruik op straat wordt verboden. Drugs mag alleen thuis of in en om de drugsverkooppunten worden gebruikt. De politie hoeft zich niet langer te richten op coffeeshops maar kan zich met betrekking tot softdrugs richten op handhaving en opsporing.

Scheiding softdrugs en harddrugs: doordat de overheid binnen het No Nonsense Model de productie van softdrugs totaal reguleert, wordt het bijvoorbeeld mogelijk om het THC-gehalte van wiet te controleren. Hierdoor is het mogelijk om een strenge scheiding tussen softdrugs en harddrugs te handhaven. Binnen het gedoogbeleid is een strikte scheiding tussen soft- en harddrugs niet mogelijk, omdat de productie van wiet in de illegaliteit is beland en de overheid hier geen controle op heeft. Medewerkers van de softdrugsverkooppunten moeten scherp letten op verslavingsverschijnselen. Wanneer de medewerkers vermoeden dat iemand verslaafd is, sturen ze iemand gelijk door naar een verslavingskliniek. Folders en informatie zijn ruimschoots aanwezig en medewerkers worden opgeleid verslavingsverschijnselen te onderkennen en daarover met jongeren te kunnen spreken.