De toekomst

In deze editie meer over de gevolgen van het coronavirus, de toekomst en meerdere recensies en interviews. Ook de politieke update en voorzitterscolumn kun je weer vinden. Veel leesplezier! 

Begin met lezen

Inhoud

Interview: 5 vragen aan een arts over het coronavirus 

Essay: In memoriam Hans Horlings

Recensie: De toekomst van de christendemocratie 

Essay: Nudging: Uitkomst of ongewenste vadertje staat 

Interview: De politiek van: Hans de Boer

Essay: Voorkom de kaalslag! 

Recensie: Waarom is Hobbes een moderne denker?

CDJA Inside: Politieke update

Voorzitterscolumn: Smaakmakers

Redactioneel – Carina van Os

Het is alweer even geleden dat de redactie besloot een nummer met het thema ‘de toekomst’ te schrijven. We waren dan ook volop bezig met de artikelen toen de toekomst, in ieder geval op korte termijn, ineens aanzienlijk veranderde. 

Het coronavirus en de maatregelen daaromtrent veranderen ons leven ingrijpend. Helaas is oud-CDJA penningmeester Hans Horlings aan de gevolgen van het virus overleden. Hans Huibers en Ad Koppejan staan hierbij stil in de in memoriam. 

Waar dat nodig was en nog kon, zijn artikelen aangepast of toegevoegd. We trappen af met een interview met een jonge arts. Verder kun je, zoals gepland, meer lezen over de toekomst van belastingen, christendemocratie en publieke voorzieningen. Ook is er een nieuw interview in de reeks De politiek van, ditmaal met Hans de Boer. Bovendien zijn er ook dit nummer weer recensies en mogen de politieke update en de voorzitterscolumn niet ontbreken. 

Ik wens jullie veel leesplezier bij de mooie artikelen die we dit nummer hebben.

5 vragen aan een arts over het coronavirus

Jan van Dam Timmers studeerde geneeskunde en
gezondheidseconomie aan de Erasmus Universiteit. Sinds vorig jaar werkt hij als
arts-onderzoeker anesthesiologie in het Leids Universitair Medisch Centrum
(LUMC). Ook is Jan actief CD(j)A-lid.

Waar hield je je tot de coronacrisis mee bezig?

“Als arts-onderzoeker anesthesiologie doe ik onderzoek naar
de werking en bijwerking van pijnmedicatie bij allerlei soorten pijn. Zelf houd
ik mij voornamelijk bezig met chronische pijn. Wij doen dit onderzoek omdat we nog
beter willen weten hoe medicatie werkt in patiënten en wat de impact van deze
medicijnen kan zijn. De aanleiding voor mijn onderzoek is de opiaatepidemie in
de Verenigde Staten (VS). Wij zijn als afdeling op zoek naar alternatieven voor
opiaatachtige medicijnen omdat de epidemie laat zien hoe het verkeerd of
ongecontroleerd gebruik uit de hand kan lopen. Mensen starten met een
pijnstiller van de dokter. Kwetsbare mensen, bijvoorbeeld slechtverzekerden,
kunnen vervolgens geen hulp krijgen, maar een pilletje op de zwarte markt wel.
Die mensen kunnen verslaafd raken, wat ernstige gevolgen kan hebben. Allerlei
factoren, leven in een lage sociaaleconomische klasse, depressie, veel pijn,
kunnen ertoe leiden dat mensen te veel middelen innemen. Mijn alledaagse werk
is het ontmoeten van nieuwe chronische pijnpatiënten, kijken of zij mee kunnen
doen aan ons onderzoek, en hen een proefbehandeling aanbieden.

Maar nu ligt dat allemaal stil. Er worden geen patiënten
meer gezien voor mijn onderzoek, omdat het ziekenhuis is omgebouwd tot een
COVID en een niet-COVID organisatie. Alle niet-noodzakelijke zorg wordt daarbij
zoveel mogelijk uitgesteld, zodat mensen die niet in het ziekenhuis moeten
zijn, daar ook niet zijn. Deze maatregelen zijn gericht op het verminderen van
de verspreiding van het virus, maar ook op het verlagen van de druk op ruimtes
en capaciteit.”

Wat voor werk doe je nu je onderzoek stilligt?

“Ik werk op de intensive care in het draaiteam. Dat betekent
dat ik de verpleging help bij het omdraaien van patiënten. Patiënten hebben er
baat bij als zij op hun buik liggen, omdat de verhouding tussen de hoeveelheid
lucht in de longen en de hoeveelheid bloed die erlangs stroomt, beter wordt. Op
deze manier kunnen ze makkelijker beademd worden. Er zit namelijk meer
longweefsel aan de achterkant van de long, aan de rugkant. Het omdraaien van
patiënten is lastig, omdat zij via een buisje in de keel beademd worden, meerdere
infuuslijnen en een urinekatheter hebben en we doorligplekken willen voorkomen.
Met ongeveer vijf man wordt een patiënt in een laken gewikkeld en voorzichtig
omgedraaid.

De verpleegkundigen hebben het echt zwaar nu, omdat zij meer
patiënten moeten verzorgen dan normaal. Voor het omdraaien is veel personeel
nodig, dus daarom is er een extern team gevormd om de verpleegkundigen te
ondersteunen. Wat ik zo mooi vind: in een draaiteam zitten heel verschillende
mensen. Bijvoorbeeld anesthesiologen, coassistenten, fysiotherapeuten, neurochirurgen,
pathologen, kno-artsen en ook collega onderzoekers van uiteenlopende
vakgebieden.  Mensen die normaalgesproken
in de top van hun vakgebied werken, zien nu dat er hulp nodig is in het
draaiteam, en gaan daar helpen. Dit is echt uniek. De crisis heeft ook mooie
elementen, omdat iedereen wil helpen.

Verder kan ik nog een beetje verder werken voor het
onderzoek. Ik doe literatuuronderzoek, maar patiënten zien en behandelingen
doen, gaat nog niet. Financieel heeft dit voor mij persoonlijk geen impact,
want ik krijg gewoon doorbetaald. Ik probeer bijvoorbeeld door eten te
bestellen anderen (in dit geval de horeca) financieel te ondersteunen.”

Wat betekent corona volgens jou voor de toekomst?

“Allereerst dat mensen over hun eigen grenzen heen kijken en
elkaar helpen. Verder denk ik dat voor gewone zorg digitalisering een enorme
vlucht gaat nemen. Dat zie ik bijvoorbeeld bij mijn vrouw die werkt in de
geestelijke gezondheidszorg; zij voert nu zo veel mogelijk gesprekken via
beeldbellen. Tot voor kort stonden er veel medewerkers in de zorg sceptisch
tegenover digitale consulten, maar nu moet het. Daardoor zien mensen de
voordelen nu, en ik denk dat het nooit meer helemaal teruggaat naar hoe het was
voor de crisis. Een ander voorbeeld is dat een patiënt ook thuis zijn bloeddruk
kan meten en dat doorgeeft aan de dokter. De crisis functioneert dus deels als
katalysator van ontwikkelingen voor de zorg.

Verder zie ik dat bijna iedereen de CDA-boodschap uitdraagt.
Er is veel saamhorigheid, bijvoorbeeld ook de tekst boven de snelwegen ‘Samen
tegen corona’. Geneeskundestudenten springen bij terwijl zij studievertraging
oplopen en het hen veel geld kost, en er is veel aandacht voor mensen in de
zorg. Mensen zien nu dat de zorg en de politie erg belangrijk zijn; dat zij de
pijlers in de samenleving zijn. Als we die goed op orde hebben, dan kunnen we
met saamhorigheid veel meer dan we in eerste instantie dachten.”

Wat is voor jou de impact van de situatie op de intensive
care?

“De mensen zijn echt heel ziek. Ze liggen langer op de
intensive care en hebben heel veel ondersteuning nodig. Ook overlijden er meer
mensen dan normaal en liggen er meer mensen dan gebruikelijk. De impact is dus
veel groter. Aan de andere kant zien we gelukkig dat het allemaal wat aan het
afnemen is en veel mensen ook de intensive care levend verlaten. De genomen
maatregelen lijken effect te hebben. Toch zijn de aantallen nog niet op een
niveau dat normale zorg weer mogelijk is. Ik hoop dat dat niveau snel komt,
want ik maak me zorgen om mensen die andere ziektes hebben die hun leven
moeilijk maken. Die mensen hebben zeker begrip voor de situatie, maar ze hebben
ook moeite met het vormgeven van hun leven. Zij hebben veel stress en angst, mede
voor het virus, en ervaren onduidelijkheid over hun eigen behandeling. Hun
leven staat ook stil.

Ik heb goede hoop voor de toekomst. Dankzij een ieders
bijdrage, het is geen individuele prestatie, gaat het de goede kant op.”

Hoe denken jullie nu na over het eventuele heropstarten?

“Wij staan niet vooraan als het gaat om het opstarten van de
zorg, en dat is begrijpelijk. Eerst moet er in het ziekenhuis weer voldoende
ruimte zijn voor reguliere zorg. Dat kan pas als de mensen die nu bijspringen
op de intensive care kunnen terugkeren naar hun normale werkzaamheden. Veel
artsen die nu bezig zijn met coronazorg, zijn ook in de gewone zorg nodig. Het
is het idee om de gewone zorg de komende weken op te schalen, zodat
achterstanden verminderd kunnen worden, of in ieder geval niet groter worden.
Dat is een belangrijk doel. Met onze afdeling gaan we het de aankomende week
ook hebben over onze eigen plannen. Hoe zouden we onze onderzoekslaboratoria
kunnen aanpassen zodat ze aan nieuwe regels kunnen voldoen? Het gaat nog even
duren, maar uiteindelijk willen we zo snel mogelijk weer zorg aanbieden.

Ik hoop vooral dat we het samenwerken, de saamhorigheid,
kunnen vasthouden, ondanks de verschillende belangen die mensen hebben.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

In memoriam Hans Horlings (26-01-1962 – 31-03-2020)

Op 31 maart werd Hans Horlings plotseling uit het leven weggerukt, overleden aan de gevolgen van het coronavirus, echtgenote Sibel en dochter Dilara achterlatend.

Hans was actief als CDA-wethouder voor de gemeente Midden-Delfland met onder andere de portefeuille Financiën.

Wij hebben Hans echter vooral leren kennen als lid van het dagelijks bestuur van het CDJA. Dat is al weer meer dan 30 jaar geleden. Ook toen al was Hans de penningmeester, die goed waakte over onze financiën. De CDJA-begroting was best een verantwoordelijkheid omdat we naast een eigen kantoor binnen het CDA-bureau aan de Dr. Kuyperstraat in Den Haag, ook nog zo’n vier betaalde medewerkers in dienst hadden. Het verdedigen van het jaarlijkse CDJA budget tegen de bezuinigingsplannen van het landelijke CDA dagelijks bestuur, kon je wel aan Hans overlaten. Als het moest werd de hele partij gemobiliseerd door Hans. En dat natuurlijk allemaal om de onafhankelijke positie van het CDJA veilig te stellen.

Het waren de jaren waarin wij werden gevormd, waar banden ontstonden voor het leven. We hebben Hans in die tijd leren kennen als iemand die echt in je was geïnteresseerd. Een warme en hartelijke persoonlijkheid, energiek, bevlogen en sociaal betrokken.

Hans had een duidelijke mening die hij op zijn eigen wijze naar voren bracht; goed en tot in detail voorbereid en soms een tikkeltje breedsprakig. Hans praatte je niet makkelijk onder tafel. Hij kon behoorlijk vasthoudend zijn. Als echter de meerderheid anders besliste was Hans de eerste die het besluit vervolgens loyaal en zonder morren uitvoerde, een echte democraat. Het gezamenlijk belang stond altijd voorop. Hans had je er graag bij in je bestuur. Hij bracht niet alleen gezelligheid maar was ook niet te beroerd om de handen uit de mouwen te stekken, een harder werker. Echt iemand waar je altijd op kon rekenen, die het voor je opnam, trouw en loyaal. Eigenschappen die in de politiek niet altijd vanzelfsprekend zijn.

Het waren de jaren “80. Jaren die gekenmerkt werden door economische recessie, bezuinigingen en hoge jeugdwerkloosheid. De tijd dat wij als jongeren aangestoken werden door het gezonde virus van de politiek. We waren idealistisch en wilden de wereld verbeteren en het CDA behoeden voor conservatisme en christen-technocratie. Het was een mooie tijd waarin Hans samen met ons optrok en actievoerde voor zaken als behoud van het minimumjeugdloon, studiefinanciering en tegen “zure regen” en bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Het waren de tijden van de kabinetten Lubbers met Onno Ruding als minister van Financiën. Ruding sprak destijds over werkloze jongeren die liever thuis bleven zitten bij tante Truus. Zo’n uitspraak vond Hans niet kunnen. Daar sprak hij de minister dan ook rechtstreeks op aan (zie foto). Dat sterke gevoel voor rechtvaardigheid, was kenmerkend voor Hans.

We hebben in onze CDJA-tijd veel steun gehad aan Hans. Later zijn we ieder onze eigen weg gegaan en kwamen we elkaar alleen op CDA-bijeenkomsten nog wel eens tegen. Maar dan was er ook gelijk weer die goede klik, alsof de tijd had stil gestaan.  

Na al die jaren waren de hemelbestormers van weleer, echte burgermannetjes geworden die vertelden over hun werk en hun gezin. Als je Hans sprak, vertelde hij altijd met veel trots over Sibel en dochter Dilara.

Wij zijn dankbaar dat wij zo’n markant persoon als Hans Horlings hebben mogen leren kennen.

Hans Huibers en Ad Koppejan

Oud-voorzitters van het CDJA in de periode 1984 – 1988 en 1988 – 1992

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De toekomst van de christendemocratie

De Traditie uit de onzichtbare Maat als bron voor de christendemocratie?

Est modus in rebus.’

Horatius, Satiren I.1:106.

‘Hoop doet leven, angst alleen overleven.’

Lezing van minister P. H. Donner op het Christelijk-Sociaal Congres van 2016.

‘Onze tijd is uitzonderlijk. We leven op een breukvlak waarbij vergeleken zelfs de Reformatie maar een lichte rimpeling was’. Met deze stelling opent het boek De onzichtbare maat, archeologie van goed en kwaad van Andreas Kinneging (1962), hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden. Dit boek is een uitwerking van de Geografie van goed en kwaad dat in 2005 verscheen.Volgens hem staan we aan het einde van een tijdperk van 2500 jaar en leven we als eersten in een volstrekt nieuw tijdperk. De Verlichting en de Romantiek hebben de traditionele ideeën over de mens en de staatsinrichting losgelaten en de ideeën van vrijheid en gelijkheid als ultieme maatstaf omarmd. Het Grieks-christelijke denken daarentegen, erkent een onzichtbare maat zoals de Romeinse dichter Horatius (65-8 v. Chr.) uitdrukte: ‘est modus in rebus’. Dit artikel gaat over de essentie van deze drie mens- en wereldbeschouwingen. Deel I gaat over de vraag hoe de Verlichting breekt met de Traditie. In deel II onderzoeken we de tegenreactie van de Romantiek op de Verlichting. Deel III gaat over de vraag waaruit de Traditie van Athene en Jeruzalem bestaat en deel IV is gewijd aan de relevantie van dit boek voor de christendemocratie. We bespreken de herbronning van de christendemocratie die is waar te nemen bij fractievoorzitter Pieter Heerma, en de ministers Wopke Hoekstra en Hugo de Jonge. Tot slot eindigen we met de boodschap van bondskanselier Angela Merkel en minister van staat Piet Hein Donner. Zet u schrap voor u begint met lezen want het boek heeft maar liefst 639 pagina’s en om het te lezen moet ‘(…) men er fris voor zijn. Het raam moet open en de verwarming uit. En dan lezen als een koe. Langzaam en herkauwend’.[1]

DEEL I: DE BREUK VAN DE VERLICHTING MET DE TRADITIE

Op vrijdag 14 februari 2020 bezochten we met een groep studenten van de master Encyclopedie en Filosofie van het Recht uit Leiden de presentatie van dit nieuwe boek dat met recht het magnum opus van Kinneging genoemd kan worden. Kinneging heeft dit boek geschreven voor ‘de nadenkende mens die geïnteresseerd is in ideeën’.[2] Van hem wordt echter wel een inspanning gevraagd: ‘je moet het hele boek doorploegen, er is geen korte weg naar begrip en inzicht. De enige weg is de lange weg. Niets zonder moeite en inspanning’.[3] Tijdens de presentatie had zich een groep van zulke ‘nadenkende mensen’ verzameld bij Uitgeverij Prometheus aan de Herengracht in Amsterdam. Er waren zo’n honderd academici, journalisten, politici en studenten op de presentatie afgekomen. We werden allen ontvangen door professor Kinneging die bij de voordeur iedereen persoonlijk de hand schudde. Na een korte inleidende toelichting van professor Kinneging volgden twee referaten van niemand minder dan oud-minister Frits Bolkestein (1933) en minister van staat Piet Hein Donner (1948). Twee staatslieden van formaat die beiden geworteld zijn in het denken van de Verlichting en de Griekse Traditie (Bolkestein) en de christelijke Traditie (Donner).[4] De Traditie van Athene en Jeruzalem staat volgens Kinneging onder druk door twee aanvallen vanuit de Verlichting en de Romantiek. Laten we beginnen met de eerste aanval vanuit de Verlichting.

De Verlichting: de instrumentele rede

Kinneging schrijft scherp, polemisch en houdt van het intellectuele gevecht. De kritische toon en de houding ten opzichte van veel literatuur en schrijvers kan erg afleiden waardoor de lezer meteen aan het begin al zou kunnen afhaken. Ik zal hier aan het eind op terugkomen maar wil eerst proberen om na te gaan wat de kwintessens van Kinnegings stelling is voordat ik kritiek lever. Kinneging schroomt grote uitspraken namelijk niet. Een voorbeeld hiervan is als hij stelt dat ‘het Verlichtingsdenken ten langen leste zelfs het overleven van de menselijke soort op het spel zet’.[5] Deze grote stelling wil hij gaan bewijzen in de honderden pagina’s die volgen. Kinneging heeft geen ideeëngeschiedenis geschreven maar is geïnteresseerd in de essentie van de Verlichting en probeert deze te omschrijven. Het boek is dus geen historisch werk maar een filosofisch werk. Kinneging stelt de vraag naar de essentie van de Verlichting.

Volgens Kinneging moet de essentie van de Verlichting niet gezocht worden in de ontdekking van de rede zoals vaak gedacht wordt. De term Verlichting suggereert dat het licht is opgegaan terwijl de wereld daarvoor in duisternis gehuld was. Bijgeloof en onwetendheid zouden ingeruild zijn voor redelijkheid. Nu is dit een vaak gehoorde misvatting aangezien de rede een centrale plek inneemt bij filosofen als Plato en Aristoteles en de christenen Augustinus en Thomas van Aquino.[6] Kinneging haalt het niet aan in zijn boek maar in de encycliek Fides et ratio (1998)laat paus Johannes Paulus II met grote helderheid zien dat vanaf het vroegste begin van het christendom gezocht is naar een synthese van geloof en rede.[7] Wat is dan het nieuwe van het Verlichtingsbegrip van de rede? Dit vernieuwende element moet gezocht worden in het gebruik van de instrumentele rede die op grote schaal toegepast wordt in de natuurwetenschappen. Op het punt van de natuurwetenschappen heeft dit tot grote successen geleid die ons tot op vandaag blijven verbluffen. Te denken valt aan de terreinen van de geneeskunde, de biologie, de werktuigbouwkunde, de informatica etc. ‘De resultaten van de moderne wetenschap – vooral van de natuurwetenschappen – zijn indrukwekkend’.[8] Helaas heeft de Verlichting deze specificering van de rede tot de instrumentele rede ook toegepast op terreinen van het leven die zich daarvoor helemaal niet lenen zoals de vraag naar het goede leven in de economie. Voor de menswetenschappen is de instrumentele rede slechts beperkt toepasbaar. 

De Verlichting: vrijheid en gelijkheid

Rationaliteit is dus niet de essentie van de Verlichting. De essentie van de Verlichting wordt volgens Kinneging gevormd door twee idealen: vrijheid en gelijkheid.[9] De Verlichting verdedigt de vrijheid van het individu. Dit is niet hetzelfde als vrijheid van de wil. Volgens de Verlichtingsdenkers bestaat er namelijk geen wilsvrijheid. In plaats van wilsvrijheid is de wereld een aaneenschakeling van causale factoren die deterministisch bepaald zijn. De vrijheid van de Verlichting bestaat uit handelingsvrijheid i.e. doen wat je wilt. Als je bijvoorbeeld het verlangen hebt om veel chocolade te eten, is dit dus wat je wilt doen. Vrijheid is dan ongehinderd zoveel mogelijk chocolade kunnen eten.

Naast het ideaal van de vrijheid verdedigt de Verlichting het ideaal van de gelijkheid. Dit wordt uitgelegd als gelijkwaardigheid. Aan het begin van de Verlichting werd dit uitgelegd als gelijkheid voor de wet waardoor de standen afgeschaft werden. Na juridische gelijkheid kwam de sociale en economische gelijkheid. Nu hebben we te maken met gelijkheid van kansen, gelijkheid van ideeën en gelijkheid van uitkomsten (iedereen hetzelfde salaris en evenveel mannen als vrouwen in het parlement). Tussen vrijheid en gelijkheid bestaat een strijd aangezien vrijheid ongelijkheid impliceert. Om dit te illustreren geeft Kinneging het voorbeeld van een ondernemer. Deze vrij is om aan te nemen wie hij wil waardoor hij sollicitanten ongelijk kan behandelen en dus discrimineert.[10] Om het ideaal van de gelijkheid waar te borgen moet het ideaal van de vrijheid dus soms aan banden worden gelegd. Daarom moet er uiteindelijk ook gekozen worden tussen de twee Verlichtingsidealen van vrijheid en gelijkheid. Politiek rechts, zoals de VVD, heeft een sterke voorkeur voor vrijheid, politiek links, zoals de PvdA, neemt het op voor de gelijkheid.[11]

Wat zijn de gevolgen van vrijheid en gelijkheid?

Waarom zijn vrijheid en gelijkheid zo belangrijk? Vrijheid geeft de mens de mogelijkheid om zijn begeertes na te streven en hierdoor gelukkig te worden. Het hoogste doel van het leven is volgens de Verlichting gelegen in het maximaal vervullen van je begeertes. Dit is een aanpassing van de definiëring van geluk in de Traditie. Deze aanpassing begint in de zeventiende eeuw en wordt voorbereid door de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) en voltooid door de Britse politiek filosoof Thomas Hobbes (1588-1679). Zij zijn volgens Kinneging de twee belangrijkste Verlichtingsdenkers.

Descartes stelt in Discours de la Méthode (1637) dat ‘de boeken van de heidenen uit de Oudheid gebouwd zijn op zand en modder’. Volgens hem kloppen de aannames die aan de traditionele filosofie ten grondslag liggen niet en moeten ze vervangen worden. Hierbij moet de natuurwetenschappelijke methode een centrale plek krijgen. Thomas Hobbes borduurt voort op Descartes en werkt een politieke filosofie uit in zijn beruchte werk de Leviathan (1651). Hierin verwerpt hij het traditionele onderscheid tussen de mens zoals hij is en de mens zoals hij behoort te zijn.[12] De mens is volgens Hobbes zoals hij is en hij zal nooit anders worden. De mens is slechts materie en wordt gedreven door zijn begeertes. Waar de Traditie stelt dat je je begeertes moet beheersen door de rede, stelt Hobbes dat de begeertes nagevolgd moeten worden. De rede staat dus ten dienste aan de begeertes en moet aangewend worden om efficiënt op je doelen af te gaan. De mens is een homo economicus die rationeel, op basis van nut, zijn keuzes probeert te maximaliseren.[13] Het gaat erom pleasure na te streven en pain te vermijden. De ander functioneert als middel om dat doel te bereiken. Voor de Verlichting zijn alle begeerten gelijk. ‘Pus-pin is as good as poetry’.[14] Iedereen is vrij om te doen wat hij wil wat resulteert in ‘consumeren, plezier maken in entertainmentparken, ongelimiteerd gamen in speelparadijzen en veel winkelen in shoppingmalls’.[15] Eventueel fleur je de werkelijkheid op met drugs of met veel alcohol. Bij ziekte is er gelukkig een uitgebreid gezondheidssysteem waardoor je het leven met medicatie zo lang mogelijk kunt oprekken. Het gaat er vooral om dat het leven ‘leuk’ blijft en lang uit te houden is, want je leeft immers maar een keer.[16]

Het nihilisme en het sociaal contract

Wat zijn goed en kwaad dan volgens de Verlichting? Deze zijn subjectief bepaald. Objectief goed en kwaad bestaan niet. De werkelijkheid waarborgt geen waarden anders dan onze subjectieve waarden. Dus goed en kwaad bestaan slechts in zoverre wij vinden dat iets goed of kwaad is. Ook vrijheid en gelijkheid zijn ten laatste relatief en subjectief bepaald. Dit betekent consequent doorgedacht dat ook de idealen van vrijheid en gelijkheid verworpen kunnen worden waarbij er helemaal geen waarden overblijven. De Duitse denkers Max Weber (1864-1920) en Leo Strauss (1899-1973) hebben hierop gewezen en stellen dat het Verlichtingsdenken in haar uiterste consequentie nihilistisch is. Strauss is een van de grootste politiek filosofen uit de vorige eeuw door wie Kinneging duidelijk is beïnvloed. Strauss stelt dat het nihilisme hét probleem van de Moderniteit is.[17] Wat blijft er dan over? Ten eerste de machtsbeluste mens die zijn eigen egoïstische begeertes ten koste van anderen doordrijft. Deze gedachte heeft in de vorige eeuw concreet gestalte gekregen in de totalitaire ideologieën van het nazisme en communisme. Ten tweede is er de zwakke mens die zijn toevlucht zoekt in een catalogus van opgestelde wetten: het sociaal contract. Op basis van de aanname dat het individu vrij moet zijn om zijn begeertes te bevredigen wordt een politieke filosofie ontwikkeld, dit is het contractdenken. De burgers van een samenleving sluiten een contract met elkaar om conflict te voorkomen en samen te werken zodat iedereen zijn eigen belang kan nastreven. [18] De burgers geven in dit contract een bepaald gedeelte van vrijheid uit handen aan de staat in ruil voor veiligheid. De staat bestaat dus om veiligheid te garanderen zodat de burgers maximaal hun egoïstische begeertes op vreedzame wijze kunnen vervullen.[19]

DEEL II: DE KRITIEK VAN DE ROMANTIEK OP DE VERLICHTING

De reactie op deze reductie van de mens tot homo economicus die maximaal zijn behoeftes probeert te bevredigen kan niet uitblijven.[20] Dit verzet is de Romantiek die haar wortels heeft in de 18e eeuw en tussen 1800 en 1850 tot volle wasdom is gekomen. Ook in het stuk over de Romantiek is Kinneging snoeihard, zowel richting de ideeën van de Romantiek als de literatuur over de Romantiek. Zo schrijft hij bijvoorbeeld dat ‘de meeste literatuur over de Romantiek weinig diepgang en structuur heeft’.[21] Kinneging is echter niet alleen negatief over de Romantiek. Hij stelt dat ‘de Romantiek een noodzakelijke correctie op het eendimensionale mens- en wereldbeeld van de Verlichting is’.[22] ‘Individuele bijzonderheid is een wezenlijk aspect van de wereld. Dat de Romantiek daar aandacht voor vraagt is van grote waarde. Maar al vanaf het begin schieten de romantici door en maken zij van de individualiteit een afgod, het hoogste en enige criterium, dat allesbepalend is’.[23] De Romantiek houdt niet de juiste maat en schiet door in individualisering waardoor ze net als de Verlichting de werkelijkheid geweld aandoet. De Romantiek omarmt nog steeds de idealen van vrijheid en gelijkheid maar verzet zich tegen de betekenis die de Verlichting daaraan geeft. Ze stelt dat het niet gaat om de ‘vrijheid’ van de Verlichting die de mens in staat stelt om zoveel mogelijk begeertes te bevredigen. In plaats daarvan is een terugkeer naar het authentieke ik noodzakelijk. Door jezelf te leren kennen en jezelf te ontplooien word je een authentiek individu, stelt de Romantiek. De belangrijkste vertegenwoordigers van de Romantiek zijn Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) en Immanuël Kant (1724-1804).[24]

Kant en Rousseau

Het is Kant geweest die de intellectuele ruimte heeft gecreëerd waardoor de romantische mens- en wereldbeschouwing kon ontstaan. Kant verzet zich in Kritik der reinen Vernunft (1781) tegen de Verlichtingsideeën. Hij ageert tegen het idee van de mens als materie in beweging die is onderworpen aan het determinisme. Kant neemt het op tegen Britse empiristen zoals de filosoof David Hume. De werkelijkheid zoals die empirisch wordt waargenomen is niet de werkelijke wereld (de wereld an sich) maar zoals ze ons toeschijnt en door ons wordt waargenomen (für uns). Deze waarneembare wereld is de causaal gedetermineerde materie in beweging zoals ze wordt omschreven door de natuurwetenschappelijke methode van de Verlichting. Maar daarmee is slechts de helft van de medaille getoond want de wereld an sich, de werkelijke wereld dus, is niet natuurwetenschappelijk waarneembaar. De mens moet de empirisch-zintuiglijke wereld transcenderen en oog krijgen voor de echte wereld. Dit kan noch met de traditionele uitleg noch met de Verlichtingsuitleg van de rede. Dit moet juist met het gevoel. Dit noemen de romantici ook wel het poëtische, het oneindige of het goddelijke.

De mens is volgens de Romantiek dus geen nutsmaximalisator die zijn begeertes zo snel en efficiënt mogelijk probeert te vervullen, maar is geroepen tot iets hogers. Het gaat erom dat je je unieke en diepere zelf, je authentieke ik, probeert te vinden en te ontplooien. Dit moet je doen door eindeloos experimenteren. Dat zien we om ons heen. Rousseau, de ware vader van de Romantiek, legt uit dat er twee problemen zijn: ten eerste is er het probleem van de moeilijk toegankelijke transcendentale werkelijkheid die we dus niet kunnen kennen. En ten tweede voegt hij toe dat de werkelijkheid niet een harmonieus geheel is maar bestaat uit unieke, singuliere entiteiten.[25] Elk mens is een uniek individu zoals hij schrijft in zijn Confessions (1782): ‘ik ben niet gemaakt als enig ander mens ter wereld’. Wat zijn de gevolgen van dit denken?

De gevolgen van de Romantiek

Het ideaal van de Romantiek is eigenlijk nog problematischer dan de Verlichtingsidealen. Het hoogste gebod van de Romantiek is dat je je unieke ik moet ontwikkelen. ‘Dit brengt de mens op een volstrekt verkeerd spoor, op zoek naar een niet-bestaande entiteit: zijn unieke, eigenlijke, diepe ik. Dit leidt om te beginnen tot eindeloze navelstaarderij, onophoudelijke innerlijke twijfel, besluiteloosheid en inertie.’[26] Er is namelijk niemand hetzelfde als jij dus je moet zelf experimenteren en onderzoeken wat bij je past. Daarbij heb je geen andere maatstaf dan het gevoel dat van dag tot dag anders is. Verder leidt de Romantiek tot een grenzeloos egoïsme. ‘Iedereen moet me maar accepteren zoals ik ben’ en ‘ik moet trouw blijven aan mezelf’. Dit betekent dat een ander geen kritiek mag uitoefenen op jouw keuzes. Algemene normen zijn verdacht. Diversiteit, inclusiviteit en openheid zijn typisch romantische begrippen om de samenleving in te richten.[27] Kinneging ziet het ultieme gevolg van de Romantiek dan ook in ‘existentiële eenzaamheid’ omdat het individu ‘vervreemd’ is van de ‘ander’ en niet werkelijk gekend kan worden.[28]

Dit kan uitmonden in een zoektocht naar iemand die je wel écht begrijpt: de romantische liefde. Deze thematiek staat centraal in bijvoorbeeld Die Leiden des jungen Werthers (1774) van Goethe of in Julie, ou la Nouvelle Héloïse (1761) van Rousseau. Het romantische verlangen kan ook uitmonden in een verlangen naar een beter verleden waarbij gedacht kan worden aan het fascisme van Italië. En tot slot kan dit verlangen zich uiten in een verlangen naar een romantische toekomst. Hiervoor moet eerst de bestaande maatschappelijk orde omver worden geworpen en worden vervangen door een volstrekt nieuwe orde. We proeven hier de revolutionaire geest die sinds de Franse Revolutie door Europa waait. Deze revolutionaire geest is waarneembaar in het revolutiejaar 1848, de Russische Revolutie van 1917 en natuurlijk in de laatste grote revolutie: de culturele revolutie van 1968.[29]

Ten laatste zal ook de Romantiek, net als de Verlichting, uitmonden in nihilisme omdat absoluut goed en kwaad niet bestaan volgens de Romantiek.[30] Wat goed is voor de een is slecht voor de ander. Goed en kwaad zijn subjectief en relatief. Strikt doorgevoerd leidt dit volgens Kinneging tot totale zinloosheid van de wereld die ook wel de zwarte Romantiek wordt genoemd. Daarnaast leidt de Romantiek tot een grenzeloos egoïsme waarin de ander zich, desnoods met geweld, moet schikken naar mijn ideeën over goed en kwaad.

DEEL III: DE TRADITIE VAN ATHENE EN JERUZALEM

Het Goede, Ware en het Schone

De overeenkomst tussen de Verlichting en de Romantiek is gelegen in het feit dat ze beide zijn gericht op het subjectieve ik in plaats van de objectieve orde van het Goede, Ware en Schone. Door deze twee aanvallen op de Traditie is God uit het centrum van het universum verstoten en vervangen door het ik dat bevrediging of ontplooiing zoekt. Kinneging schrijft in zijn slotwoord dat ‘(…) de beschrijving van de uitgangspunten en grondslagen van het moderne mens- en wereldbeeld niet het hoofddoel is van dit boek. Het is slechts de opstap.’[31] ‘Wie zegt dat een bepaalde wijze van denken over mens en wereld niet deugt, moet ook uitleggen welke wijze van denken dan wel deugt’. Daarom vormen deel II en deel III van Kinnegings boek een verdediging van de Traditie.[32] Hij stelt vast dat er zoiets bestaat als een Europese Traditie die gebaseerd is op twee pijlers. De eerste pijler bestaat uit het Griekse denken waar de stad Athene symbool voor staat. De belangrijkste vertegenwoordigers van Athene zijn de filosofen Plato (427-347 v. Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.). De tweede pijler bestaat uit het christendom dat geënt is op het jodendom en daarom uitgedrukt wordt met de stad Jeruzalem.[33] Van Jeruzalem zijn de kerkvader Augustinus (354-430) en de kerkleraar Thomas van Aquino (1225-1274) de belangrijkste representanten. Het grootste deel van de Europese cultuurgeschiedenis bestaat uit een dialoog en bijbehorende spanning tussen Athene en Jeruzalem. Deze Traditie bereikt haar hoogtepunt in de zestiende en zeventiende eeuw waarin tegelijkertijd de aanval geopend wordt vanuit twee kanten zoals we net gezien hebben. Met deze these borduurt Kinneging verder op een lijn die is uitgezet door de politiek filosofen Leo Strauss en Eric Voegelin (1901-1985). In navolging van hen probeert hij de Traditie van Plato en het christendom te verdedigen uit ‘liefde voor de Waarheid’.[34] Wat is de essentie van het Traditionele denken?

Athene: Plato en Aristoteles

Volgens Kinneging is ‘de Europese Traditie in essentie platoons’.[35] Daarom is deel II van De Onzichtbare Maat voor het grootste gedeelte gewijd aan Plato en eindigt het met zijn leerling Aristoteles. Plato is de filosoof die vraagt hoe de mens moet leven, Aristoteles stelt de vraag hoe de wereld in elkaar zit.[36] Kinneging geeft een uitgebreid overzicht van de stand van zaken in het debat over de interpretatie van Plato. Hierna volgt een uiteenzetting over Plato’s ideeënleer, zijn ethiek en zijn politieke filosofie.

Wie is Plato, de vader van de Europese Traditie? Plato is een politiek filosoof en dichter die leeft in de vierde eeuw voor Christus in de Griekse stadsstaat Athene. Hij filosofeert in een context van een aantal crises: een crisis over de vraag of er absolute waarheid bestaat, en of deze kenbaar is; een crisis over de inrichting van het politieke systeem, en een crisis over goed en kwaad. Het gaat Plato om deze laatste, morele crisis. Deze morele crisis is voor Plato echter geen uniek verschijnsel maar hoort bij de mens. Voor Plato representeren vooral de sofisten het probleem dat in deze crisis centraal staat. Het is echter onjuist om te denken dat Plato’s gedachtegoed moet worden verstaan als reactie op de sofisten. Plato schrijft over het tijdloze probleem van de morele toestand van de mens en gaat ons dus ook direct aan.

De ideeënleer

De wijze waarop Plato de morele crisis van de mens te lijf gaat is door een uiteenzetting van de ideeënleer. Plato maakt een onderscheid tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. Dit onderscheid is door de Verlichting bijna helemaal vergeten. Hobbes stelt dat de hele werkelijkheid materie in beweging is. Bestaan er onzichtbare entiteiten? Bestaat er een onzichtbare maat? Plato, en Kinneging volgt hem hierin, vindt van wel. Een voorbeeld dat deze positie duidelijk maakt is te vinden in de wiskunde. Zoals er wiskundige grootheden zoals pi en een cirkel bestaan zo bestaat er een vast idee van goed en een vast idee van kwaad.[37] Deze ideeën zijn eeuwig, onveranderlijk en overstijgen plaats en tijd.[38] De manier waarop we deze ideeën kennen is door te analyseren en deduceren. Dit noemt Plato de dialectiek. De wiskunde is een concrete toepassing van de wiskundige ideeën.[39] Op basis van de dialectische methode stelt Plato een hiërarchie in de ideeën vast:

  1. Het idee van het Goede
  2. Morele ideeën zoals het rechtvaardige, het verstandige, het moedige, het matige
  3. Wiskundige ideeën, zoals pi, cirkel, driehoek
  4. Ideeën van abstracte noties, zoals het zijnde, hetzelfde, het andere
  5. Ideeën van natuurlijke soorten, zoals mens en paard
  6. Ideeën van artefacten, zoals tafel en bed

Plato’s deugdethiek

Gebaseerd op het objectieve idee van het Goede en de morele ideeën stelt Plato zijn ethiek op. Deze ethiek is, in tegenstelling tot de ethiek van de Verlichting en de Romantiek, gebaseerd op het geloof in het bestaan van absoluut goed en kwaad. Een goed mens is een deugdzaam mens volgens Plato. Volgens Plato bestaan er vier belangrijke deugden die sinds de kerkvader Ambrosius (339-397) de kardinale deugden worden genoemd.[40] Kardinaal komt van cardo, dat scharnier betekent. Rond deze deugden scharniert het leven. Het zijn de rechtvaardigheid, de verstandigheid, de dapperheid en matigheid. Helaas geldt voor deze ideeën dat de mens er niet vanzelfsprekend in participeert. Hij doet juist vaak het tegenovergestelde. Plato geeft in de dialoog Politeia een mooie metafoor voor de mens. De mens bestaat uit drie delen: eerst een veelkoppig dier, daarnaast een leeuw en ten slotte een mens. Het menselijk deel staat voor de rede, de leeuw staat voor het eergevoel en het veelkoppig monster staat voor de begeertes. Volgens Plato moet de rede – het verstand – heersen over de eer en de begeertes. Het verstand zorgt ervoor dat de mens op het juiste spoor blijft. De mens verkeert dus in een strijd met zichzelf en moet een bekering (μετάνοια) doormaken.[41] Alleen als het verstand heerst over de begeertes kan een mens deugdzaam leven.

Plato en Aristoteles: politieke filosofie

Nu is volgens Plato voor een deugdzaam leven nog iets anders nodig naast een bekering. De mens is namelijk geen op zichzelf staand individu maar staat in een verhouding tot zijn medeburgers en vormt zo een gemeenschap. Alleen in de gemeenschap kunnen de deugden beoefend worden. Met name de deugd van de rechtvaardigheid speelt hier een belangrijke rol. Waar de verstandigheid, moed en matigheid primair op het ik betrokken zijn is de rechtvaardigheid primair op de verhouding tot de ander gericht.[42] De belangrijkste dialoog van Plato, de Politeia, gaat over de rechtvaardigheid. Socrates, de leermeester van Plato, is in deze dialoog op zoek naar een definitie van rechtvaardigheid en een rechtvaardig mens. Socrates stelt voor om de discussie te verplaatsen naar een rechtvaardige staat aangezien wat geldt voor het geheel, de staat, analoog van toepassing is op een deel, de mens.

Ook Aristoteles, Plato’s leerling, schrijft in zijn Ethica dat de mens een gemeenschapswezen is.[43] Wie niet in staat is om deel te nemen aan de gemeenschap is ofwel een beest of een god.[44] De polis (de Griekse stadsstaat) is een gemeenschap die tot stand komt omwille van het geluk van elk mens.[45] Deze beoefening kan alleen in een gemeenschap van anderen: ‘we worden rechtvaardig door rechtvaardige daden te verrichten, matig door matig te handelen en dapper door ons dapper te gedragen’. De polis is dus onmisbaar voor de mens omdat hij anders niet deugdzaam kan worden en daardoor verstoten blijft van het geluk. De polis is bovendien noodzakelijk omdat zij de burger direct helpt door goede wetten en bepaalde gewoonten aanleert.[46]

Paideia en Great Books

Plato stelt dat de polis idealiter geleid wordt door leiders die inzien wat het beste is voor de burgers. Geen tirannen maar filosoof-koningen die een jarenlang curriculum van opleiding en vorming moeten ondergaan.[47] Samen met de platoonse zijnsleer en de daaruit volgende opvatting over ethiek en politieke filosofie is de Griekse idee van vorming van grote betekenis voor de Europese Traditie geweest. In Appendix II ‘Wat is academisch?’ gaat Kinneging in op het klassieke idee van vorming dat in het Grieks Paideia en in het Duits Bildung heet.[48] Kinneging stelt in deze Appendix een terugkeer tot dit vormingsideaal voor. Hij doet een concreet voorstel voor een onderwijshervorming.[49] Deze vorming bestaat uit het lezen van literatuur, de Great Books.[50] Een kennismaking en discussie op hoog niveau over en met de grote werken van de Traditie en de grote werken van de Moderniteit bereidt zo de elite voor op hun verantwoordelijke waardigheid voor de politieke en juridische ambten.  

Jeruzalem: Augustinus en Thomas van Aquino

Naast Athene staat de tweede pijler van de Europese Traditie: Jeruzalem. Jeruzalem staat zowel voor het jodendom als het christendom dat binnen de context van het jodendom is ontstaan. Kinneging beperkt zich in de beschrijving van de tweede pijler echter tot het christendom en laat het jodendom buiten beschouwing. Hij beperkt zich ten tweede tot de essentie van het christendom en wil geen ideeëngeschiedenis geven.[51] Tot slot beperkt hij zich tot wat hij het ‘orthodoxe christendom’ noemt. Hiermee bedoelt hij het christendom van de kerkvaders. Dit zijn toonaangevende figuren binnen het christendom uit de eerste vijf eeuwen van onze jaartelling. Zij hebben het theologisch fundament gelegd waarop het huis van het christendom is gebouwd. De belangrijkste kerkvader is Augustinus die in de lijn van Plato theologiseert.

De kerkvader Augustinus leefde in de vierde en vijfde eeuw na Christus en heeft het grootste deel van zijn leven in Noord-Afrika doorgebracht. Augustinus is bekend vanwege zijn bekeringsverhaal, de Confessiones. Dit is de eerste autobiografie ooit geschreven. In dit werk voert Augustinus een gesprek met God en omschrijft hij zijn zoektocht naar God. Via de werken van Cicero en de neoplatoonse werken maakt hij een intellectuele bekering door en via het lezen van de Heilige Schrift bekeert hij zich tot het christendom. Volgens Kinneging is de christelijke theologie in het Westen gebaseerd op Augustinus. Bovendien is Augustinus volgens Kinneging weer schatplichtig aan Plato. Augustinus is een platonist en werkt Plato’s leer van het Goede, Ware en Schone verder uit. Het christendom voegt namelijk de essentiële begrippen ‘zonde’ en ‘liefde’ aan de Traditie toe.

Het lijkt er echter op alsof Kinneging vanuit een platoonse bril naar Augustinus kijkt zonder rekening te houden met de joodse wortels van het christendom waarin God een Persoon is en geen idee. Kinneging interpreteert Augustinus volledig vanuit het platoonse denkraam waardoor de indruk ontstaat dat Augustinus een platoonse christen is terwijl dit maar een deel van zijn theologie vormt.[52] Zo heeft prof. dr. H. Van Oort in het boek Jeruzalem en Babylon (1987) laten zien dat niet het neoplatonisme maar het joodse denken de voornaamste bron van Augustinus’ tweerijkenleer is.[53]

Augustinus stelt zichzelf bovendien onder het gezag van de Katholieke Kerk die hij in de Confessiones ‘ons aller moeder’ noemt.[54] Als Kinneging stelt dat Augustinus de Bijbel platoons las moet naast de joodse traditie ook het gezag van de Kerk toegevoegd worden. In De Doctrina Christiana stelt Augustinus namelijk dat hij de Bijbel benadert vanuit de apostolische geloofsbelijdenis en het gezag van de Kerk.[55] Augustinus spreekt wel over Plato en zijn denken is inderdaad doordesemd met het neoplatonisme maar het is onjuist dat Augustinus alleen vanuit platoons perspectief de Bijbel las. Het beste is om Augustinus zelf te lezen en aan het woord te laten. Hij zegt:

“Als de zogeheten filosofen, vooral die van de school van Plato, uitspraken gedaan mochten hebben die waar zijn en kloppen met ons geloof, moeten we daarvoor niet alleen geen angst hebben, maar die uitspraken van hen voor ons gebruik opeisen als van onrechtmatige bezitters.’’[56]

Hier zien we dat Augustinus positief ten opzichte van Plato staat maar dat Plato en de platoonse school van het neoplatonisme, ondergeschikt zijn aan het katholieke en apostolische geloof. Dit geloof is bewaard in de geloofsbelijdenis en stoelt op het gezag van de Kerk. Het lijkt er helaas op dat Kinneging in deel III te ver gaat in zijn poging om de christelijke Traditie platoons te verklaren en Augustinus in een denkkader wringt waarin hij maar gedeeltelijk thuishoort. Kinneging stelt zelfs dat Augustinus Christus vooral als voorbeeld (exemplum) ziet en dat deze platoonse lezing de primaire interpretatie van Augustinus’ Christologie is.[57] Hierbij vergeet hij te vermelden dat Augustinus Christus als God ziet en verschillende keren heeft gewaarschuwd tegen de ontkenning van dit dogma.[58] Door deze essentiële onderdelen weg te laten verliest deel III aan zeggingskracht. Helaas is Kinnegings lezing van het christendom daardoor maar gedeeltelijk juist. Aan het eind van het boek presenteert Kinneging bovendien een appendix waarin hij de historiciteit van Jezus ter discussie stelt. Vandaag de dag zijn er nagenoeg geen historici die het aannemelijk achten dat Jezus niet werkelijk geleefd heeft. Het is duidelijk dat Kinneging niet op de hoogte is van de werken van geleerden zoals de Lutherse theoloog Martin Hengel, toen kardinaal Josef Ratzinger en de Nieuw Testamenticus James Dunn die stuk voor stuk de kritiek op historiciteit van Jezus vakkundig hebben gepareerd.[59] Ofwel Kinneging kent deze werken niet ofwel hij kent ze wel maar noemt ze bewust niet. De vraag is wat erger is voor een academicus.

Thomas van Aquino

De platoonse lezing van het christendom past Kinneging ook toe op Thomas van Aquino, de tweede grote vertegenwoordiger van het christendom. Thomas zet de lijn van Augustinus voort en kan gezien kan worden als de ‘grote systematicus van het orthodoxe christendom’.[60] Deze systematisering en ordening is door hem opgeschreven in zijn hoofdwerk de Summa Theologiae. ‘Het wil een geordend overzicht geven van de oorsprong, aard en doel van mens en de wereld. Het begint met God, de oorsprong van alles, behandelt vervolgens de schepping, dan de mens, en ten slotte Christus, die de weg is van de mens terug naar God’.[61] De schepping is goed, want ze is een creatie van een goede God.[62] Ze is geen chaos maar weerspiegelt een orde. Deze orde is hiërarchisch. God staat boven de mens en de mens staat weer boven de dieren. De grootsheid van de mens is dat hij een vrije wil heeft en kan kiezen voor het goede en kwade. De mens is echter gevallen en is zodoende geneigd tot het kwade.[63] Thomas gaat uitvoerig in op de weg die de mens terug moet afleggen tot God, zijn einddoel. Dit is een langzaam proces waarin de mens allerlei keuzes maakt. Deze keuzes zijn gebaseerd op beginselen buiten ons (de wet en de genade) en de beginselen in ons (de deugden en ondeugden). Kinneging schrijft uitgebreid over de deugdenleer van Thomas. Naast de vier kardinale, platoonse deugden (rechtvaardigheid, verstandigheid, moed en matigheid) voegt Thomas ook de theologale deugden toe (geloof, hoop en liefde).[64] Aan het eind gaat Kinneging in vier pagina’s in op Thomas’ Christologie. Deel 3 van de Summa gaat namelijk over Christus, de weg van de mens terug naar God. Net als bij Augustinus geeft Kinneging een onjuiste weergave van Thomas’ Christologie. Zo zegt hij dat de letterlijke betekenis van de incarnatie ‘een mythe is’ en ‘van waarde voor wie alleen kan begrijpen wat aanschouwelijk is gemaakt’.[65] ‘Christus is in geestelijke, overdrachtelijke zin de Zoon van God’.[66] Volgens Kinneging zou Christus voor Thomas in de eerste plaats een leraar (magister) zijn.[67] ‘Christus is voor hem, net als Augustinus, eerst en vooral een ideaal, een voorbeeld en uit dien hoofde een leraar, een magister’.[68] Kinneging probeert dit te bewijzen doordat hij hier zeventien keer een aanwijzing heeft gevonden in de werken van Thomas. Wat Kinneging helaas volledig weglaat is het gezag van de Kerk en de plek van de sacramenten in de Summa. Thomas gelooft namelijk, in tegenstelling tot Kinnegings weergave, wèl in de incarnatie en godheid van Christus. Christus is bij Thomas intrinsiek verbonden met de Katholieke Kerk waarin de mens gered wordt door de sacramenten.[69] De weergave van de Christologie van doctor angelicus door Kinnegingis dus helaas onwaar.

Kinneging presenteert dus een platoons christendom waarin een objectieve orde van het Goede, Ware en Schone wordt verdedigd tegenover de Verlichting en de Romantiek. Hij laat helaas het joodse denken volledig buiten beschouwing waardoor de persoonlijke God verloren gaat. Kinneging benadrukt ‘de God van de filosofen’ maar vergeet ‘de God van Abraham, Izak en Jakob’.[70]  Hierdoor verliest deel III van zijn boek enorm aan zeggingskracht. Wat betekent deze interpretatie voor de christendemocratie?

DEEL IV: WAT IS DE BETEKENIS VOOR DE CHRISTENDEMOCRATIE?

De crisis van de christendemocratie

De geschiedenis van de christendemocratie is begonnen in de moderniteit en gaat terug tot het eind van de 19e eeuw. Zo heeft het CDA haar wortels in de ARP die in 1879 is opgericht als reactie op de idealen van de Franse Revolutie. De voorloper van de CHU (opgericht in 1908), Groen van Prinsterer (1801-1876), was een antirevolutionair en stelde zich nadrukkelijk op tegen de ideeën van de Verlichting.[71] Tegelijkertijd was hij betrokken bij de Réveilbeweging die Kinneging als Romantisch typeert.[72] De christendemocratie is bovendien verbonden met de sociale bewegingen aan het begin van de 20e eeuw waarbij van protestantse zijde het Christelijk Sociaal Congres (1890) en van Rooms-Katholieke zijde de pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891) een belangrijke rol speelden. De nijpende sociale omstandigheden van de arbeiders vroegen om een christelijk antwoord. De christendemocratie kan niet begrepen worden zonder de reactie op de sociale kwestie.[73] Tot slot moet voor een goed begrip van de christendemocratie de Europese samenwerking genoemd worden. De Duitse Konrad Adenauer (1876-1967), de Italiaan Alcide De Gasperi (1881-1954) en onze Ruud Lubbers (1939-2018) staan aan de basis van de oorspronkelijke Europese samenwerking. De christendemocratie is dus geboren in de moderne tijd en zowel gebaseerd op het Traditionele denken als het denken van de Romantiek en staat niet per definitie afwijzend tegenover alle ideeën van de Verlichting. Vandaag de dag is de christendemocratie in Europa echter in crisis.[74] Waar landen als Italië, Duitsland en Nederland bloeiende christendemocratische partijen kenden, brokkelt de steun nu af. Doordat steeds minder west-Europeanen christelijk zijn, neemt de oorspronkelijke kiezersgroep af. Daarnaast heeft de christendemocratie decennialang geregeerd waardoor pragmatisme soms belangrijker was dan een vastomlijnde koers. Tot slot heeft de christendemocratie steeds meer concurrentie op ‘rechts’ gekregen van rechts-populistische partijen.

De herbronning van de christendemocratie

Wat staat de christendemocratie te doen? En kan de christendemocratie lessen trekken uit de Onzichtbare Maat? Wat betreft Kinnegings analyse van de Verlichting en de Romantiek kan de christendemocratie veel leren. De staat als sociaal contract, de verlichtingsratio, het najagen van platte begeertes, het mensbeeld van de homo economicus, het verdwijnen van gezag en gemeenschappen, het egoïsme van het ik en het ontberen van een natuurlijke rechtsorde zijn stuk voor stuk kritiekpunten die de christendemocratie deelt met Kinneging. Kinnegings weergave van het Griekse denken over de staat is uitermate leerzaam ter vergelijking met het moderne idee over de staat. Bij Plato en Aristoteles is de staat er dus om de deugd te bevorderen bij de individuele burger die hierdoor gelukkig zal worden. De moderne contractdenkers zoals Hobbes en Locke stellen dat de staat gebaseerd is op een contract waarin de staat de veiligheid garandeert zodat de burgers hun begeertes kunnen bevredigen. In de confrontatie met dit contractdenken kan de christendemocratie veel leren van Plato’s en Aristoteles’ opvatting over de gemeenschap die zo moet worden ingericht dat ze het goede leven bevordert.[75]

Het contractdenken heeft geleid tot individualisering en het ontbreken van gemeenschapszin. Dit zijn serieuze problemen aan het worden voor de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Vanuit verschillende richtingen klinken pleidooien voor een herbezinning op de excessen van de vrijheid- en gelijkheidsgedachte van de Verlichting. Zo heeft mr. dr. Claudia Bouteligier laten zien dat broederschap onderbelicht is gebleven in het recht in tegenstelling tot de leuzen van vrijheid en gelijkheid.[76] En in 1994 pleitte de toenmalig fractievoorzitter van de VVD, Frits Bolkestein, reeds voor een ‘bezielend verband’.[77]

Ook het CDJA heeft herhaaldelijk gewezen op de uitwassen van doorgeschoten Verlichtingsdenken. Onder redactie van Paul Schenderling is in 2010 het rapport ‘De toekomst van de christen-democratie in Nederland’ uitgegeven. Hierin wezen de opstellers dat ‘de meeste moderne politieke stromingen in slaap zijn gesust door conventionele wijsheden van dit moment. Dat wil zeggen: ze benoemen en benutten alleen de positieve elementen ervan en durven de negatieve elementen ervan niet ter discussie te stellen. En hoe staat het met het CDA? (..) Het CDA heeft zich in de afgelopen tijd weinig principieel opgesteld als het gaat om het verdedigen van het christen-democratisch mensbeeld’.[78]

Binnen het CDA heeft oud-fractievoorzitter Sybrand Buma de doorgeschoten vrijheid en gelijkheidsgedachte van de Verlichting en het ontbreken van gemeenschap en traditie aan de orde gesteld in de H. J. Schoo-lezing ‘Verwarde tijden’ die om richting vragen in 2017. Hij riep op tot een herbronning uit ‘de politiek-filosofische traditie die uit het christendom is voortgekomen’. Wat is hiervan terechtgekomen binnen het CDA? Buma’s opvolger, Pieter Heerma, greep in de Algemene Politieke Beschouwingen van 2019 terug op Tocqueville en wees ‘op het gevaar van een te geïndividualiseerde samenleving’. Minister van Financiën Wopke Hoekstra hield in 2019 de H. J Schoo-lezing Het land van morgen. Naar een nieuw maatschappelijk evenwicht. Hij bepleitte een herwaardering van de Traditie die hij breder opvat dan Kinneging. ‘Onze culturele identiteit, omgangsvormen, waarden en normen zijn gedurende eeuwen gevormd. Ze wortelen in de Klassieke Oudheid, het christendom en de Verlichting, en maken dat vrijheid, gelijkwaardigheid en de democratische rechtsstaat vandaag de dag onze meest fundamentele verworvenheden zijn’. Ook Hoekstra pleit dus voor een herbronning van de christendemocratie in de Traditie waaraan hij de Verlichtingsideeën wil toevoegen. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hugo de Jonge, greep ook terug op de Bijbelse Traditie en zocht ook nadrukkelijk aansluiting bij de oorspronkelijke christelijk-sociale oorsprong van het CDA in zijn toespraak op het Christelijk-Sociaal Congres in Doorn in 2019. Hij zei: ‘we moeten ten eerste de waarden van het christelijk sociaal denken herwaarderen. Die Bijbelse waarden zijn in veel wetten verankerd, maar we vergeten ze maar al te vaak expliciet te maken’.

En tot slot moet het rapport Zij-aan-Zij genoemd worden dat door De commissie Beraad Perspectief 2030 van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA is opgesteld. Hierin roepen de opstellers op om mee te denken over de koers van het CDA. Ze formuleren de zoektocht naar herbronning als volgt: ‘wat ontbreekt, is een rijker verhaal. Een verhaal over een zij-aan-zij-maatschappij, het gemeenschappelijk goede dat we samen hebben. Gemeenschapszin, burgers die gezamenlijk de samenleving opbouwen. Hoe kunnen we een nieuwe, politieke taal vinden voor een samenleving die de vrucht is van samenwerking, maar die tegelijkertijd wel het zicht op de samenleving als een ‘gemeenschappelijk huis’ kwijt raakt en die in sociaal, economisch, juridisch, technologisch opzicht individualiseert? Dat is de vraag.’[79] Zogezien is het CDA dus volop aan het herbronnen en kan het te rade gaan bij een deel van de analyse in De Onzichtbare Maat.

Positieve of negatieve waardering van vrijheid?

Toch kunnen christendemocraten niet zomaar alles overnemen wat Kinneging schrijft. Dat begint allereerst met de stijl waarmee Kinneging soms redeneert. Kinneging doet geregeld stellige uitspraken zoals: ‘dit is zo overduidelijk dat ik niet eens meer hoef uit te leggen waarom het zo is’ of ‘iedereen heeft dit altijd geweten’.[80] Een ander voorbeeld is de wijze waarop hij omgaat met literatuur waar hij zich niet in kan vinden: ‘de literatuur over de Romantiek is enorm, maar het meeste heeft weinig diepgang en structuur’.[81] Naast de stijl heb ik persoonlijk moeite met de wijze waarop Kinneging over vrijheid in het christendom schrijft. De lezer zal zelf moeten beoordelen in hoeverre hij mee kan gaan in de kritische noten die Kinneging plaatst maar een aantal keer vliegt Kinneging echt uit de bocht. Een absoluut dieptepunt is wanneer Kinneging spreekt over zijn voorstelling van de omgang van man en vrouw in de Traditie die hij afzet tegen de romantische liefde van de Romantiek. ‘De Traditie eist dat de man kinderen verwekt bij zijn vrouw. (..) Tegenover deze plicht van de man staat de plicht van de vrouw met haar man het bed te delen. Ook dat is geen vrije keus. ‘Geen zin’ is geen voldoende excuus. Zoals men vroeger zei: ‘Dan maak je maar zin’.[82] Dit is in directe tegenspraak met de christelijke opvatting over het huwelijk en haar absolute liefdeskarakter. In het christendom is het huwelijk een weerspiegeling van de bruid (de Kerk) en de eeuwige liefde van de Bruidegom (Christus).[83] Het christendom spreekt zeer eerbiedig over het huwelijk.[84] Het wordt zelfs een mysterie, ‘een geheimenis dat groot is’, genoemd.[85] Het christendom heeft het huwelijk vanaf het begin als een vrije gemeenschap gezien waarin dwang is uitgesloten. ‘Er is in de liefde geen vrees’ omdat liefde gebaseerd is op vrijheid.[86] Onthouding kan zelfs zegt de apostel Paulus, hij spreekt over ‘wederzijdse instemming’ wat dwang geheel uitsluit.[87] Vrijheid is voor het christendom niet iets negatiefs maar behoort tot de kern van het christelijk denken.[88] Dit is een groot verschil met de beschrijving van Kinneging over vrijheid binnen het christendom.

Een postmoderne of orthodoxe weergave van het christendom?

Een tweede punt van kritiek is reeds ter sprake gekomen bij de voorstelling die Kinneging presenteert van het christendom. Kinneging stelt dat hij het christendom verdedigt maar hij laat het jodendom geheel weg en vervangt dit door een star, hiërarchisch en abstract platoons denken. Christus is in Kinnegings weergave van het christendom namelijk geen God maar slechts een voorbeeld (exemplum) waarvan we de historiciteit niet zeker kunnen weten.[89] Voor Augustinus en Thomas van Aquino zou de historiciteit van Jezus niet uitmaken.[90] Dit is ironisch genoeg erg postmodern. Deze opvatting komt in de 19e eeuw pas op en is ondenkbaar voor grote theologen als Augustinus en Thomas van Aquino. Zij zagen Christus in de eerste plaats als God en mens en niet als een voorbeeldig mens. In het Program van Uitgangspunten (1989) staat dat het CDA ‘telkens zoekt naar de betekenis van het Evangelie voor de politiek’.[91] Het Evangelie kan niet gereduceerd worden tot een platoons christendom en daarom kan zijn weergave van het Evangelie niet de volledige inspiratie voor de christendemocratie vormen.

Een afgesloten Traditie of voortgaande dialoog?

Het derde kritiekpunt heeft te maken met de aard van de christendemocratie. De christendemocratie is namelijk niet louter gebaseerd op de Traditie. Zoals we zagen is ze ontstaan in de moderne tijd en wil ze de dialoog zoeken in plaats van bij voorbaat alle moderne ideeën afwijzen. De moderniteit kent namelijk naast de natuurwetenschappelijke ontdekkingen ook grote filosofische verworvenheden. Een voorbeeld hiervan is de vrijheid van het geweten. De wortels van het idee van gewetensvrijheid zijn diep christelijk maar de boom is pas in de moderne tijd volledig volgroeid. Via de reformator Maarten Luther (1483-1546), kardinaal John Henry Newman (1801-1890) en de toen paus Benedictus XVI (1927) heeft deze notie van gewetensvrijheid een steeds grotere rol gekregen binnen het contemporaine christendom.[92]

Tegelijkertijd moeten we eerlijk vaststellen dat vertegenwoordigers van het christendom die pretendeerden namens de Kerk te spreken op dit gebied in de afgelopen millennia fouten hebben gemaakt.[93] Vrijheid van geweten is een christelijke notie maar de kerkelijke en wereldlijke overheden hebben hier niet altijd aan bijgedragen. In het prachtige stuk Christendom en de toekomst van de christendemocratie: politiek zouten met compassie gaat professor Hirsch Ballin in op deze spannende verhouding en benoemt hij eerlijk de gemaakte fouten: ‘het is waar dat de kerkelijke instellingen maar al te vaak een ongepaste ‘bescherming’ door koningen en dictators hebben geaccepteerd’.[94] De opkomst van mensenrechten in de Verlichting moet in deze context begrepen worden.

De vrijheid van het geweten en andere ‘moderne ideeën’ zoals de vrijheid van het individu, de mensenrechten en de moderne inrichting van de democratie mogen dan christelijke wortels hebben maar ze zijn niet direct door de Kerk aanvaard.[95] De genoemde noties als individuele vrijheid en mensenrechten zijn daarom zowel christelijk als modern. Hirsch Ballin stelt dat de christendemocratie niet per se afwijzend staat ten opzichte van de Verlichting omdat veel Verlichtingsnoties gebaseerd zijn op christelijke ideeën. Hirsch Ballin zegt: ‘de Verlichting en de ‘revolutie van de mensenrechten’ waren echter diep geworteld in de kernboodschap van het christendom dat ieder menselijk wezen een intrinsieke, onvervreemdbare waarde heeft die hem of haar tot een kind van God maakt’.[96]

Zoals wij zijn, zo zijn de tijden

Dit betekent dat de christendemocratie een deel van de Verlichting en de moderniteit omarmt en niet meegaat in de totale afwijzing van de Verlichting zoals Kinneging dat voorstelt. Voor de christendemocratie is de Traditie geen afgesloten periode. Dit houdt direct verband met de punten die eerder genoemd zijn over het christendom. Voor Kinneging staat het christendom gelijk aan een aantal inzichten en ideeën. De inzichten over de mens en de wereld en de ideeën over het Goede, Ware en Schone moeten bewaard en doorgegeven worden. Hoewel Kinneging in de inleiding uiteenzet dat het boek niet als conservatief bestempeld kan worden, bevat het boek toch mooie conservatieve noties. Het boek vertrekt vanuit een ‘cultureel-pedagogische ideaal’ en sluit aan bij het conservatisme waarin de opvatting centraal staat dat ‘de cultuur de onderbouw vormt van de politiek’.[97] Een conservatief wil de Traditie conserveren (bewaren) en overdragen. Veel conservatieve harten zullen daarom ‘opveren’ bij het lezen van Kinnegings visie op de Traditie.[98] De christendemocratie kent een goede verhouding tot dit type conservatisme van bewaren en overdragen maar voegt er nog een essentieel aantal elementen aan toe.[99] Voor een christendemocraat is de Traditie van het christendom niet afgesloten maar levend en moet ze in elke tijd opnieuw verstaan worden. Dit volgt uit het feit dat het christendom niet draait om een idee maar om een Persoon. Daarom staat de christendemocratie niet automatisch afwijzend ten opzichte van de moderniteit omdat de dialoog tussen deze Persoon (Christus) en elke tijd tot een nieuw relevant antwoord leidt. Augustinus, de kerkvader van wie Kinneging hoog opgeeft, schreef treffend over de houding van een christen ten opzichte van de tijd. Hij zei in een preek: ‘het zijn slechte tijden! het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste. Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zo zijn de tijden.’[100]

Conclusie: christenen en christianisten

De Franse hoogleraar Rémi Brague (1947) heeft verschillende malen benadrukt dat het christenen ten laatste niet te doen is om een bepaalde cultuur of beschaving op te bouwen en te bewaren. Hij maakt een verschil tussen christianisten en christenen. ‘De Europese christelijke beschaving is opgebouwd door mensen wier doel het geenszins was een ‘christelijke beschaving’ te bouwen, maar om hun geloof in Christus zo volledig mogelijk te beleven. Wij danken haar aan mensen die in Christus geloofden, niet aan mensen die in het christendom geloofden. Deze mensen waren christenen, en niet wat men ‘christianisten’ zou kunnen noemen’.[101]

Dit essentiële verschil is ook benadrukt door de toen paus Benedictus XVI. Hij hield op 12 september 2008 een toespraak in Parijs voor eminente figuren uit de wereld van de cultuur waarin hij duidelijk maakte dat de christelijke bouwers van de cultuur nooit de intentie hadden om een cultuur te creëren en zelfs niet te bewaren.[102] ‘Hun motivatie was eenvoudiger. Hun doel was: quaerere Deum. Ze zochten God. Ze wilden van het niet-essentiële naar het essentiële, de kern. De cultuur stond ten dienste aan deze zoektocht.

Kinneging ziet dit essentiële punt over het hoofd. Hij waardeert het christendom omdat het ‘vele diepe en belangrijke waarheden heeft gezien en door de eeuwen heen heeft doorgegeven’.[103] Zogezegd is het christendom een mooi voertuig van de platoonse waarheden en vormt het ‘de apex van de Europese traditie’.[104] Voor Kinneging gaat het om de ideeën van het Goede, Ware en Schone en vormt Christus slechts een voorbeeld. Hiermee gaat Kinneging rechtstreeks in tegen de christelijke Traditie die Christus eerst en vooral als God ziet. Kinneging valt in de valkuil die de Britse apologeet C. S. Lewis mooi uiteen heeft gezet: ‘de mens die zegt: ‘Ik wil Jezus best als morele leraar aanvaarden maar ik aanvaard zijn claim dat Hij God is niet’’ spreekt nonsens. Christus’ claim is dat Hij de Zoon van God is. Hij was daarmee ofwel gek ofwel Hij was en is de Zoon van God. Je kunt Hem voor een dwaas houden, je kunt op Hem spugen, Hem vermoorden, of je kunt aan Zijn voeten vallen en Hem de Heer en God noemen. Maar laten we ophouden met de onzin dat Hij een groot moreel voorbeeld zou zijn. Hij heeft ons daarvoor geen ruimte gegeven en heeft dat nooit bedoeld’.[105]

De deugd van de hoop bij Merkel en Donner

De Onzichtbare Maat is een aanzet tot nadenken over de excessen van de Verlichting en de Romantiek maar geeft een halve uitleg van het christendom. Dit christendom kan maar ten dele inspiratie bieden voor de christendemocratie. We moeten het aanvullen en kunnen daarbij kijken naar bijvoorbeeld de Duitse Bondskanselier Angela Merkel. Voor haar is christendom geen cultuurchristendom gebaseerd op abstracte ideeën of esthetische idealen maar een dialoog met een Persoon. Zij heeft dit eens heel mooi verwoord. ‘Voor het maken van belangrijke beslissingen bid ik tot God. Voor God ben ik een mens. Ik ontdek als ik voor God sta dat ik het niet altijd bij het rechte eind heb en dat ik fouten mag maken.’[106] Dit christendom, gebaseerd op een Persoonlijke God, biedt toekomstperspectief voor de christendemocratie omdat het hoop kan bieden. Vanuit deze hoop kunnen christendemocraten in dialoog treden met de moderne tijd. In 2016 bezocht ik het Christelijk-Sociaal Congres in Doorn en woonde ik een lezing bij van minister van staat Piet Hein Donner. Hij sprak over deze christelijke deugd van de hoop: ‘hoop is ‘Yes we can’, ‘Wir schaffen das’. Hoop is het vertrouwen dat we kracht zullen ontvangen. Hoop is de moed om, ondanks secularisering en ontkerstening, samen te komen en tegenover de noden van deze tijd angstige mensen hoop te geven.’[107] Laten we als christendemocraten Merkel en Donner als voorbeeld nemen en vanuit deze houding van hoop over de toekomst in dialoog gaan met enerzijds de vertegenwoordigers van de Verlichting en de Romantiek en anderzijds de vertegenwoordigers van het opkomende cultuurchristendom die allebei de christendemocratie voor een grote uitdaging plaatsen.

Andreas Kinneging, De Onzichtbare Maat, Archeologie van Goed en Kwaad, Amsterdam: Prometheus, 2020, 639 pagina’s, ISBN 978 90 351 3879 7.


[1] Kinneging, De Onzichtbare Maat. Archeologie van goed en kwaad, Amsterdam: Prometheus 2020, p. 47 (Vanaf nu: Kinneging, De Onzichtbare Maat).

[2] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 48.

[3] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 557.

[4] Ik neem de schrijfwijze van Kinneging over en schrijf daarom Traditie steeds met een hoofdletter.

[5] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 19.

[6] Rede wordt bij Plato, in de Bijbel en bij Augustinus en Thomas weergegeven met het Griekse woord λόγος dat veel breder is dan de natuurwetenschappelijke ratio maar daarnaast ook orde, kosmos, logica en zin betekent.

[7] Johannes Paulus II, Fides et ratio, Over de verhouding van Geloof en Rede, 1998.

Waarvan in het bijzonder hoofdstuk 4.1 ‘Belangrijke stappen in de ontmoeting van geloof en rede’ en hoofdstuk 4.2. ‘De blijvende nieuwheid van het denken van de H. Thomas van Aquino’.

[8] Ibid.

[9] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 53.

[10] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 55.

[11] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 56.

[12] Voor een goede uitleg van dit onderscheid is het raadzaam om A Student’s Guide to Political Philosophy (2001) te lezen waarin de Amerikaanse hoogleraar Politieke Filosofie van Harvard University, Harvey Mansfield, dit onderscheid bij Machiavelli en Hobbes uitwerkt. Zie vooral pp. 29-40.

[13] In de economie is steeds meer kritiek waar te nemen op dit mensbeeld van de homo economicus. In Rotterdam doen de hoogleraren Van Geest en Bovenberg onderzoek naar het mensbeeld van de homo dignus als uitgangspunt voor de economie: https://www.eur.nl/nieuws/gezamenlijke-oratie-van-hoogleraren-lans-bovenberg-en-paul-van-geest

[14] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 21.

[15] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 22.

[16] De Spaanse auteur José Ortega y Gasset (1883-1955) noemt dit type mens de ‘massamens’. In: De Opstand van de Massamens (vertaald door Diederik Boomsma), Rotterdam: Lemniscaat, 2015.

[17] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 157.a.

In het essay German nihilism (1941) werkt Leo Strauss deze stelling nader uit.

[18] De belangrijkste correctie op het sociaal contract komt van Edmund Burke die terecht zegt in Reflections on the Revolution in France (pp. 192-193) dat de overledenen en zij die nog geboren gaan worden ook een plek moeten krijgen in het sociaal contract.

[19] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 85.

[20] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 29.

[21] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 16.

[22] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 161.

[23] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 162.

[24] Vaak wordt Kant als een Verlichtingsdenker gezien maar Kinneging laat zien dat Kant eerst en vooral tot de Romantiek behoort.

[25] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 103.

[26] Kinneging, De Onzichtbare Maat, pp. 29 en 165-166.

[27] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 114.

[28] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 119.

[29] Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig. Amsterdam: Boom, 1995, hoofdstukken 3 Exodus en 4 Homo ludens in opstand.

[30] Kinneging, De Onzichtbare Maat, pp. 206-210.

[31] Kinneging, De Onzichtbare Maat, pp. 555-556.

[32] Kinneging, De Onzichtbare Maat, pp. 217-554.

[33] Deze tweedeling gaat terug op de kerkvader Tertullianus (160-230) die zich afvroeg wat Athene en Jeruzalem met elkaar te maken hebben in De Praescriptione haereticorum, VII.9-12.

[34] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 8.

[35] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 220.

[36] Kinneging, De Onzichtbare Maat, pp. 243-244.

[37] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 262.

[38] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 263.

[39] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 265.

[40] Een goed overzichtswerk over de kardinale deugden is geschreven door Josef Pieper, De vier kardinale deugden.

[41] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 480.

[42] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 314.

[43] Aristoteles, Ethica, boek I.2.

[44] Ibid.

[45] Aristoteles, Ethica, boek I.1.

[46] Aristoteles, Ethica, boek II.1.

[47] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 319.

[48] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 571-574.

[49] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 572.

[50] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 573.

[51] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 379.

[52] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 383.

[53] Van Oort, Jeruzalem en Babylon. Een onderzoek van Augustinus’ De stad van God en de bronnen van zijn leer van de twee steden (rijken), ’s-Gravenhage: Uitgeverij Boekencentrum B.V., 1987.

[54] Augustinus, Confessiones, I.XI.18.

[55] Augustinus, De Doctrina Christiana, III.II en III.XXVII-III.XXVIII.

[56] Augustinus, De Doctrina Christiana, II.XL.

[57] Kinneging, De Onzichtbare Maat, pp. 483-486.

[58] Bijvoorbeeld in het werkje De Ordine, boek I.29.

[59] Ik denk aan Martin Hengels werk Judentum und Hellenismus (1969). Ratzingers werk De kern van ons geloof (1968), pp. 135-150en zijn boeken over Jezus van Nazareth (2006)bijvoorbeeld Woord Vooraf bij deel 1.En van James Dunn de trilogie Christianity in the Making (2003).

[60] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 489.

[61] Ibid.

[62] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 496.

[63] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 511.

[64] De kardinale deugden worden besproken op pp. 518-540, de theologale deugden op pp. 540-548.

[65] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 548.

[66] Ibid.

[67] Ibid.

[68] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 551.

[69] Thomas van Aquino, Summa Th. III, qq. 60-90, a.4 (Thomas stierf tijdens het schrijven over het sacrament van de biecht dus er is door zijn leerlingen een supplementum voor de overige sacramenten, oliesel, priesterwijding en het huwelijk toegevoegd).

[70] In hoofdstuk drie van deel 1 van het boek De kern van ons geloof legt Ratzinger deze verhouding mooi uit.

[71] Groen heeft zijn ideeën uitgebreid opgeschreven in Ongeloof en Revolutie (1847) maar het kleinere werkje De Anti-Revolutionaire en Confessionele partij in de Nederlandse Hervormde Kerk (1860) is toegankelijker geschreven.

[72] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 390.

[73] Hirsch Ballin, Christendom en de toekomst van de christendemocratie: Politiek zouten met compassie. In P. J. Dijkman, R. Gradus, & J. Schinkelshoek (Eds.), CDA ontleed: Over de betekenis van de C, D en A, Den Haag: Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, 2014 (pp. 16-34).

[74] Woldring, De christen-democratie, een kritisch onderzoek naar haar politieke filosofie, Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum B.V. 1996,p. 365.

[75] Iemand die voor deze notie van het ‘goede leven in de economie’ heeft gepleit is prof. Govert Buijs in Waarom werken we zo hard? Op weg naar een economie van de vreugde (2018). Hiertegenover staat de opvatting van prof. Henk Woldring. Hij stelt in zijn boek De christen-democratie, een kritisch onderzoek naar haar politieke filosofie (pp. 384-387) dat de christendemocratie niet op aarde is om ‘het goede leven’ te bevorderen maar haar taak moet zoeken in het bevorderen van publieke gerechtigheid en evangelische gerechtigheid.

[76]  C. Bouteligier & A. Elias, Fundamentele verhalen. Over recht, literatuur en film, Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2014. & C. Bouteligier, Dialoog in recht en literatuur. Kritiek van de narratieve rede, Oud-Turnhout/’s-Hertogenbosch: Gompel & Scavina, 2018.

[77] H.M. van den Brink, ‘Noemt u mij alstublieft geen intellectueel. VVD-fractieleider Frits Bolkestein, gymnasiast in de politiek’, NRC Handelsblad, 5 maart 1994.

[78] Schenderling (red.), De toekomst van de christen-democratie in Nederland. Een onderscheidende rol voor het CDA in het nieuwe politieke landschap. Delft: Uitgeverij Eburon, 2010, p. 26.

[79] Christen-Democratisch Appèl, Zij aan zij, toekomstperspectief voor Nederland in 2030. Den Haag: CDA, 2019, pp. 9-10

[80] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 206.

[81] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 16.

[82] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 168.

[83] De brief van de Apostel Paulus aan Efeze 5,32.

[84] Een mooi werkje over het christelijk huwelijk is geschreven door dr. W. Aalders (1909-2005) en heet Man en vrouw in een revolutionaire tijd (1974).

[85] Ibid.

[86] De eerste brief van de Apostel Johannes 4,18.

[87] De eerste brief van de Apostel Paulus aan Korinthe 7,5.

[88] Te denken valt bijvoorbeeld aan de uitspraak van Christus ‘De Waarheid zal u vrijmaken’ (Johannes 8,32).

[89] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 570.

[90] Ibid.

[91] Programma van Uitgangspunten van het CDA, 1989, p. 4.

[92] Lees van Luther bijvoorbeeld het traktaat Over de vrijheid van een christen (1520).

Lees van Newman bijvoorbeeld A Letter Addressed to the Duke of Norfolk on Occasion of Mr. Gladstone’s Recent Expostulation (1875) waarin hij schrijft: ‘Conscience is the voice of God in the nature and heart of man, as distinct from the voice of Revelation’.

Lees van Ratzinger hoofdstuk 3.1. van Waarden in tijden van ommekeer (2005) over ‘geweten en waarheid’.  

[93] Woldring, De christen-democratie, een kritisch onderzoek naar haar politieke filosofie, Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum B.V. 1996,p. 135.

[94] Hirsch Ballin, Christendom en de toekomst van de christendemocratie: Politiek zouten met compassie. In P. J. Dijkman, R. Gradus, & J. Schinkelshoek (Eds.), CDA ontleed: Over de betekenis van de C, D en A, Den Haag: Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, 2014 (p. 23).

[95] In het boek Inventing the Individual (2014)verdedigt de Britse historicus dat het idee van het individu al besloten ligt in het christendom en past in de moderne tijd gestalte heeft gekregen.

[96] Ibid.

[97] Spruyt, Lof van het Conservatisme, Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2003, p. 11.

[98] A. Heumakers, ‘De Verlichte mens is een consumerend varken’, NRC.nl 2 april 2020. https://www.nrc.nl/nieuws/2020/04/02/de-verlichte-mens-is-een-consumerend-varken-a3995709

[99] Spruyt, Lof van het Conservatisme, Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2003, p. 52.

[100] Augustinus, sermo 80,8.

[101] Brague, Europa, De Romeinse weg, Zoetermeer: Uitgeverij Klement, 2013, p. 167.

[102] Meeting with representatives from the world of culture. Address of holiness Benedict XVI, Paris, 12 september 2008: http://www.vatican.va/content/benedict-xvi/en/speeches/2008/september/documents/hf_ben-xvi_spe_20080912_parigi-cultura.html

[103] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 38.

[104] Kinneging, De Onzichtbare Maat, p. 215.

[105] Lewis, Onversneden christendom. hoofdstuk 3 van boek II.

[106] R, Oosterom ‘Merkel: Bang voor islamisering? Ga naar de kerk!’ Trouw.nl, 10 september 2015. https://www.trouw.nl/nieuws/merkel-bang-voor-islamisering-ga-naar-de-kerk~bd102e62/

[107] Piet Hein Donner, Hoop doet leven, angst alleen overleven. Lezing op het Christelijk-Sociaal Congres, 31 augustus 2016, Doorn 2016.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Nudging: Uitkomst of ongewenste vadertje staat

Onbewust wordt de mens dagelijks gestuurd in zijn doen en laten. Loopt men de supermarkt door dan wordt men – voordat men bij de gezonde producten aanbeland – eerst verleid door de heerlijkste lekkernijen. De supermarkt zet de klant er op deze manier toe aan meer producten te kopen dan hij aanvankelijk van plan was. Ook bij afvalscheiding wordt nudging toegepast. Middels logische kleuren op afvalcontainers wordt de burger gestimuleerd verschillende afvalsoorten – papier, glas en GFT-afval – apart in te zamelen. Ook in het belastingrecht vindt een dergelijke vorm van gedragssturing plaats. Belastingplichtigen worden middels gedragssturing ‘geholpen’ bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen. Door in de uitnodiging tot het doen van aangifte te benadrukken dat een meerderheid van de belastingplichtigen reeds aangifte heeft gedaan, wordt men bijvoorbeeld gestimuleerd zelf ook snel aangifte te doen. Deze vorm van gedragssturing waarbij mensen ongemerkt worden gestimuleerd om een door de ’nudge-architect’ vormgegeven keuze te maken, heet nudging. In het onderstaande zal nader worden ingegaan op nudging in het belastingrecht – tax nudging. Daarbij zal onder meer worden ingegaan op de verhouding tussen nudging en incentives in het algemeen.      

Lang werd gedacht dat men keuzes baseert op grond van het zogenaamde Expected utility model. Volgens dit model is de (financieel) meest aantrekkelijke optie, de rationele keuze. Bij het maken van keuzes zou men kosten en opbrengsten tegen elkaar afwegen om op basis daarvan de meest aantrekkelijke keuze te maken. Uit onderzoek van de gedragseconomen Tversky en Kahneman is echter gebleken dat men vaak niet-rationele keuzes maakt. Men laat de keuzes vaak juist beïnvloeden door allerlei biases (systematische vertekeningen van de werkelijkheid).

Afwijkingen van het Expected utility model zijn niet willekeurig, maar kennen een zekere systematiek. Zo kunnen mensen over het algemeen slecht tegen onzekerheid en zijn mensen uit gemak vaak geneigd te kiezen voor de default-optie. Daar komt bij dat veel van de gemaakte keuzes onbewust zijn. Vaak worden mensen onbewust beïnvloed door informatie vanuit de omgeving. Bovengenoemde factoren maken het voor beleidsmakers mogelijk de voorkeuren van mensen te beïnvloeden door de keuzes van mensen op een bepaalde manier te presenteren.

Gescheiden afval in Trento, Italie

Bij nudging maken beleidsmakers gebruik van bovengenoemde factoren om mensen aan te zetten tot het maken van de goede of rationele keuze. Sinds enkele jaren wordt deze vorm van gedragssturing ook toegepast binnen het belastingrecht. Middels tax nudging stimuleert de belastingdienst belastingplichtigen om tijdig een juiste belastingaangifte te doen. Tax nudging lijkt daarmee een steeds belangrijker onderdeel uit te maken van de toekomstige belastingdienst.

Nudging moet worden onderscheiden van gedragsprikkels in het algemeen – incentives. Bij incentives wordt er – anders dan bij nudging – middels externe prikkels voor gezorgd dat de kosten/batenanalyse dusdanig uitvalt dat het in het eigenbelang van burgers wordt om normconform te handelen. Door een boete op te leggen als men de belastingschuld niet op tijd betaalt, wegen de kosten van een te late belastingaangifte niet meer op tegen de baten (bijvoorbeeld tijdwinst). Het wordt op deze manier in het eigenbelang van burgers om het algemeen belang – het tijdig voldoen van de belastingschuld – na te streven.

Grant omschrijft een incentive dan ook als “an offer of something of value, sometimes a cash equivalent and sometimes not, meant to influence the payoff structure of a utility calculation so as to alter a person’s course of action.”[1]

Nudges hebben een ander karakter dan incentives in het algemeen. Bij nudging wordt men middels (psychologische) prikkels gestimuleerd de ‘juiste keuze’ te maken. Anders dan bij reguliere incentives wordt het bij nudges niet in het eigenbelang van belastingplichtigen om normconform te handelen, maar worden belastingplichtigen door een loutere andere inrichting van de keuzearchitectuur gestimuleerd om normconform te handelen. Het keuzebelang wijzigt niet, maar het wordt door de nudges wel eenvoudiger gemaakt om de voorgeschreven keuze te maken.

De belastingdienst streeft ernaar dat iedere belastingplichtige zoveel mogelijk zelf de wet- en regelgeving naleeft.[2] Onderdeel van deze strategie is het bevorderen van normconformiteit middels nudging.[3] De vraag doet zich echter voor in hoeverre een dergelijke inbreuk op de keuzearchitectuur – zonder dat belastingplichtigen zich van deze inbreuk bewust zijn – acceptabel is. Bij dit vraagstuk spelen verschillende factoren een rol. In het onderstaande zullen enkele gezichtspunten belicht worden.

In het algemeen heeft de overheid een beter beeld van alle factoren die een rol spelen bij de totstandkoming van keuzes. In veel gevallen kan zij derhalve rationeler handelen en mensen sturen richting de rationele keuze. Anderzijds wordt beleid vaak ook bepaald door politieke componenten. Beleid komt in dergelijke gevallen juist (mede) tot stand door irrationeel sentiment dat in de samenleving leeft. De vraag doet zich dan voor of overheden wel echt rationeler handelen dan burgers. Bovendien is het ook mogelijk nudging voor politieke motieven toe te passen. Nudging kan dan bijvoorbeeld worden gebruikt om te voorkomen dat belastingplichtigen worden gewezen op politiek gevoelige fiscale faciliteiten/regelingen. Het roept de vraag op of overheden wel mogen bepalen wat goed is voor deze individuele burgers. Met andere woorden: grijpt de overheid met nudging niet te veel in op de keuzevrijheid – de autonomie van burgers?

Nudging wordt steeds meer toegepast door overheden. Met de nieuwe technologische mogelijkheden krijgen overheden bovendien steeds meer inzicht in de persoonlijke situaties van  individuele burgers. Nudging – het beïnvloeden van mensen door de inrichting van de keuzearchitectuur – grijpt onbewust sterk in op de keuzes die mensen maken. Het roept de vraag op of, en in hoeverre nudging gewenst is. Zeker omdat nudging ook voor politieke doeleinden gebruikt kan worden zijn dit vragen waar wij als politiek geëngageerde jongeren over zouden moeten nadenken. 


[1] R.W. Grant, ‘Ethics and Incentives: A Political Approach’, The American Political Science Review, vol. 100 (2006) nr. 1, p. 29.

[2] https://over-ons.belastingdienst.nl/over-de-belastingdienst/hoe-werken-we/

[3] https://www.researchgate.net/publication/332530516

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De politiek van: Hans de Boer

Hans de Boer is 82 jaar oud en woont drie hoog in een prachtig appartement met uitstekend zicht op het Spaarne in Haarlem.  Ik werd van de bushalte gehaald en meteen ontstond er een gesprek over zijn carrière. Een Duitser stopt voor ons en meteen komt het gesprek op Helmut Kohl. Kohl zei het onvoorstelbaar te vinden dat hij voorzitter was van een Christendemocratische partij. Organiseren doet De Boer graag. Hij richtte een korfbalclub en een gemeentelijke Arjos-afdeling op en werd voorzitter van de landelijke Arjos. De Boer is verder wethouder, burgemeester,  Tweede Kamerlid, staatssecretaris en  minister geweest. Eenmaal bij hem in zijn ruime appartement begon het interview met een man die ontzettend veel werk heeft verricht om tot het CDA te komen, hetgeen het zwaarste was uit zijn politieke loopbaan.

Hans Andries (roepnaam Hans) de Boer Carrière:

Geboren: 30 mei 1937 te Velsen

Middelbare School: Christelijke MULO te Velsen

En Middelbare Handelsschool

Voorzitter Arjos: 1966 t/m 1970

Provinciaal Statenlid Noord-Holland: 2-6-1966 t/m mei 1972

Lid Groep van Achttien: April 1967- opheffing op 11-10-1980

Fractievoorzitter ARP-CHU fractie Staten NH: 1970-1972

Gemeenteraadslid Velsen: 11-3-1971-11-9-1981

Wethouder Velsen: 11-3-1971 t/m 18-1-1973

Tweede Kamerlid: 16-2-1972 t/m 11-9-1981

Voorzitter ARP: 16-12-1975 t/m 11-10-1980 (opheffing ARP)

Vicevoorzitter EVP

Vicefractievoorzitter CDA TK-fractie: 19-9-1979 t/m 26-5-1981

Staatssecretaris Cultuur recreatie en maatschappelijk werk:

11-9-1981 t/m 29-5-1982

Minister van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk werk: 29-5-1982 t/m 3-11-1982

Tweede Kamerlid: 16-9-1982 t/m 13-3-1983

Burgemeester van Haarlemmermeer: 16-3-1983 t/m 1-1-1986

Partij/bloedgroep: ARP

Wie was uw politieke voorbeeld?

‘Dat waren Wiert Berghuis en Sieuwert Bruins Slot. De eerste was partijvoorzitter en de laatste fractievoorzitter van de ARP.’

Kon u zich wel vinden in de draai van Bruins Slot inzake Nieuw-Guinea?

‘Ik moest daar heel erg aan wennen. Ik zat nog niet in de fase dat ik linkser zou worden?’

Hoe werd u linkser?

‘Dat kun je niet los zien van de discussies in de Gereformeerde Kerken in de jaren’60. Toen werden er allerlei zaken opnieuw ter discussie gesteld en opgeschud. Mede door de Arjos ben ik daardoor gevoed.’

Waarom bent u lid geworden van de ARP?

‘Ik ben eigenlijk lid geworden omdat ik het organiseren leuk vond. Niet vanwege de inhoud. Toen ik er echt in geïnteresseerd raakte, legde ik een traject af van de plaatselijke club naar de provinciale club, secretaris van de Statencentrale, voorzitter van Noord-Holland tot voorzitter van de Arjos. Mijn eerste politieke functie, die ik helemaal nooit verwacht had, want ik ben nooit om die reden aan het geheel begonnen. Ik heb nooit van mijn leven gedacht dat ik daar mijn roeping in zou hebben. Ik werd lid van de Provinciale Staten (bij beëdiging jongste Statenlid van het land. Red). Ik ben daar geëindigd als voorzitter van de ARP-CHU fractie.’

Wat vond u van Barend Biesheuvel?

‘Ik heb heel erg actief meegedaan aan zijn verkiezingscampagne. Ik was zijn winstzetel. Hij won een zetel, haalde er 14. Ik was zijn restzetel. Ik was nummer 14. Ik weet nog hoe hij zich verbaasde over het feit dat ik dat was. Hij kwam de fractiekamer binnen, gaf me een klap op de schouder en zei:’’ Dat jij nou de winstzetel bent.’’ Dat verwachtte hij niet. Ik was wat kritischer, ik kwam uit de Arjos. We hebben het best goed met elkaar kunnen vinden. Daarvoor hoef je het niet altijd met elkaar eens te zijn. Toen ik er in kwam had hij het nog over schoten voor de boeg. Ten tijde van het Kabinet-De Jong had hij best kritische benaderingen jegens dat kabinet. Door zijn eigen gedrag is hij weggegaan.’

Raakte  het vertrek van Biesheuvel u?

‘Ja, natuurlijk, het was onze eerste man. Hij heeft de draai niet kunnen maken die op dat moment gemaakt moest worden. Biesheuvel wilde nadien niet meer de politiek in. Hij wilde niet de Eerste Kamer in.’

Vind u dat Jaap Boersma in 1973 terughoudender had moeten zijn met Barend in 1973?

‘Dat kun je van twee kanten bekijken. Boersma was later een van de ministers in het kabinet-Den Uyl. Dat had mede met die verwijten te maken. Boersma vond dat Biesheuvel door zijn machtswoord dat hij sprak, dat hij met name de jonge jongens, zes nieuwelingen waaronder ik, onder druk zette. Boersma vond dat hij moest aftreden. Boersma zegt dat hij het altijd goed met Biesheuvel kon vinden. Maar het waren natuurlijk twee sterke persoonlijkheden, zoals dat vaak in de AR was. Die waren het niet vaak met elkaar eens. Boersma was niet de makkelijkste man. Boersma heeft ons van zijn leven niet in zijn eentje overgeleverd aan de Rooien, want de fractie stemde met 8 tegen 6 voor totstandkoming van het kabinet-Den Uyl.’

Wie vond u een goede premier?

‘Van degenen die ik heb meegemaakt scoorde Lubbers punten.  Open, transparant, makkelijk benaderbaar met een sociale kant. Even meedenken, he. Een ander liet het vervolgens gebeuren dat hij het initiatief overnam. Hij heeft het ontzettend goed gedaan. Lubbers schiet er bij mij bovenuit. Ik ben nog een tijdje eerste vicefractievoorzitter geweest onder Lubbers.’

Waarom is Ruppert en niet Piet de Jong Vicevoorzitter van de Raad van State geworden?

‘Dat weet ik niet. Ik kan mij alleen maar bedenken wat Den Uyl gedacht heeft. Ruppert komt van het CNV. Hij is waarschijnlijk richting het kabinet-Den Uyl makkelijker dan De Jong. Achteraf zegt iedereen dat de Jong een uitstekend premier. In zijn tijd dacht iedereen dat De Jong slechts op de winkel paste. De KVP koos toch niet voor hem als lijsttrekker. Het was nog geen CDA beslissing, dus wij hadden daar niets mee van doen.’

Waarom kandideerde u zichzelf voor het voorzitterschap van de ARP?

‘Dat klopt niet wat je nu zegt. Ik heb mezelf nooit gekandideerd. Er was wel een voorzittersverkiezing, maar ik heb mezelf niet gekandideerd. Jeltien Kraaijeveld en ik werden door het partijbestuur op de voordracht gezet. Ik heb mezelf niet gekandideerd. Ik zal het nog sterker zeggen. Ik heb drie keer een gesprek gevoerd met als uitkomst dat ik het niet wilde. Er is nogal wat druk op mij uitgeoefend om toch mee te doen. Dat heeft natuurlijk te maken met hoe ik over het CDA dacht. Men vond juist dat als men de hele partij mee wilde krijgen, dat het juist goed is dat iemand die er kritisch tegenover staat, p de voordracht staat, omdat er meer mensen kritisch zijn over het CDA binnen de ARP.’

Was een stem op Hans de Boer voor voorzitter van de ARP niet een stem tegen het CDA?

‘Nee, want dat zou inhouden dat ik per definitie tegen samenwerking met KVP en CHU was. Zo zwart-wit lag het helemaal niet. Ik heb op tijd ingezien, eerder dan sommige andere ARP’ers, dat wij het als ARP alleen niet zouden redden. Ik heb mede door de ontwikkelingen binnen de kerken ingezien dat de vanzelfsprekendheid dat men via de grondslag tot politieke keus komt, aangevochten raakte door de secularisatie. Dat kon je merken onder de jongeren. Nu zijn we vele jaren verder en is het allemaal bewaarheid. Toen probeerden we samen te werken en een ander vraagstuk was of dat (begin jaren ’70, club van Achttien,red.) tot een fusie moest leiden. Ik heb vanaf 1967 meegedaan aan De Achttien. Daar werd ik voor gevraagd omdat ik voorzitter van de Arjos was.’

Hoe was dat om in De Achttien te zitten?

‘Boeiend! Het was aftasten en beginnende gesprekken voeren. Dat was helemaal nog niet in de sfeer van we zitten hier om tot een partij te komen. In 1968 waren er een aantal redenen om tot meer samenwerking te komen. Ten eerste: Europa. Daar werkte men samen in één partij. Als je daar samen moet werken zou je ook in de Tweede Kamer samen kunnen werken. Hoe je het wendt of keert: De electorale motieven speelden ook een rol. KVP en CHU gingen achteruit. Er waren ook mensen die oecumenische motieven hadden, maar dat heeft mij nooit aangesproken in die tijd.’

Wat voor samenwerking werd er dan in 1968 gezocht?

‘Gezamenlijke fractievergaderingen, gezamenlijke vooroverleggen over bepaalde onderwerpen en meer van dat soort zaken.’

Wanneer en waarom bent u ervan overtuigd geraakt dat het ene CDA  moest komen?

‘Of je het leuk vindt of niet maar daar speelden de verkiezingsuitslagen een rol bij. Afnemende invloed voor de partijen. Voor mij speelde de secularisatie een belangrijke rol. Het gaat om drie partijen die vanuit Christelijke uitgangspunten in de politiek willen staan. Dus is het op zich niet zo vreemd dat die zich de vraag stellen: wat kunnen we samen? Naarmate je verder met elkaar spreekt en rapporten op tafel legt, groei je natuurlijk steeds verder naar hoe je die samenwerking dan vorm wilt geven en op het laatst groei je dan ook naar de vraag van de fusie.’

Was het voorzitterschap wel te doen in de twintig uur per week die u dacht dat er voor stond?

‘Er stond helemaal geen tijd voor. Het was een vrijwilligersfunctie. Binnen de ARP, dat was het makkelijke, was de voorzitter van de partij Kamerlid. Ook mijn voorgangers. Ik deed misschien minder aan het Kamerwerk, dat zal. Het zal bij twintig uur niet gestopt zijn. Ik hield twee spreekbeurten per week door het hele land. Mijn zwaarste klus was het voorzitterschap van de ARP.’

Waarom dacht u in de Amersfoortse groep te kunnen zitten en tegelijkertijd partijvoorzitter kunnen zijn?

‘Dat waren kritische ARP’ers, daar zag ik helemaal geen bezwaar in om daaraan mee te doen.’

HAARLEM – Voormalig ARP-leider, CDA-politicus, staatssecretaris, minister en burgemeester (van Haarlemmermeer) Hans de Boer wordt thuis in Haarlem geinterviewd door Ate Johan Travaille. COPYRIGHT DIRK HOL

Wat vond u van de kritiek van Kohl dat iemand als u ‘’met uw standpunten van de flank’’ nooit partijvoorzitter zou moeten kunnen worden?

‘Ik begrijp heel goed dat hij dat vond. Hij zei toen ‘’ ik kan mij niet voorstellen dat de voorzitter niet uit het midden komt.’’ Daar heeft hij misschien nog wel gelijk in. In een brede volkspartij moet je niet een al te uitgesproken iemand hebben. Maar is de CDU vergelijkbaar met de ARP? Ik heb Kohl niet geprobeerd het uit te leggen waarom ik voorzitter was. Kohl was een aardige en toegankelijke man. Dat wordt weleens vergeten. Wij hadden natuurlijk de neiging om de CDU en zeker de CSU af te schilderen als ‘’ Zo moeten we niet worden.’’ Wij dachten dat ze veel conservatiever waren. Vandaag de dag, als je kijkt hoe Angela Merkel opereert, dan zeg je: dat is uitstekend. Wij hebben altijd wat makkelijker over het CDU gepraat. Of ‘’Wir schaffen das’’ achteraf de meest wijze uitspraak is geweest, nee. Nou wordt er weer gezegd dat de grote toevlucht van migranten mede het rechts extremisme heeft bevorderd. Het heeft altijd meerdere kanten. Bij de CSU had je destijds Franz Josef Strauss. Toen ik nog Arjos-voorzitter was, was er eens een bijeenkomst in Passau. Daar heb ik gesproken. Ik heb daar gezegd dat ik liever de Strauss van de muziek had dan die van de politiek. Nou dat heb ik geweten…. Van de Junge Union hoefde ik nog net niet te vluchten, maar ik was niet meer welkom. Ik meende mijn uitspraak ook nog.’

Wat mocht u dan niet aan Franz Josef Strauss?

‘Die man was toch hartstikke rechts. Waarom is daar nou een aparte club, in Beieren? Daar moet een uitleg wezen. Waarom zijn ze daar veel conservatiever dan in de rest van Duitsland? Waarom hebben we nou in Noord-Brabant en Limburg discussies over een coalitie vormen met FvD. Kijkt men in overwegend katholieke provincies makkelijker tegen die samenwerking aan?  Dat is ook CDA. De CSU is ook christendemocratie. Maar daar hoef ik het niet mee eens te wezen. Dat probeer ik duidelijk te maken. Dat heb ik toen in Passau ook geprobeerd.’

Waarom is Aantjes fractievoorzitter geworden ondanks dat jullie wisten dat hij een oorlogsverleden had?

‘Wat je me nu vraagt, dat klopt niet. Dat wisten wij helemaal niet.’

Aantjes zegt dat hij het bij het partijbestuur heeft gemeld in de jaren’50 of ’60.

‘Nou dat kan wezen, maar daar zat ik niet in, dus ik wist het niet. Ik vrees ook dat hij het gemeld heeft op een manier waarvan jij en ik van zijn leven niet geweten hadden wat hij bedoelde.  Misschien dat een of twee mensen het wel wisten in de fractie. Als dat toen bekend was geweest bij Jan en alleman, dan was hij geen fractievoorzitter geworden, schat ik zo in.’

Luck van Leeuwen zei dat een aantal CHU’ers tegen hem zeiden: ‘Nu je voorzitter bent, mogen we je een geheim vertellen: Aantjes zat bij de SS’

‘Dat heeft niemand ooit met mij gedeeld. Ik wist niets van zijn oorlogsverleden. Maarten Schakel zat in een commissie van zuivering na de oorlog. Schakel wist van daaruit dat er geen bezwaren waren tegen een Kamerlidmaatschap voor Aantjes.’

Waar was u toen Aantjes ten val kwam?

‘Toen het gebeurde was ik op Malta, met Kruisinga en Andriessen voor de EVP. Ik was zeer verrast wat er gebeurde.’

Wat vond u van de uitslag dat 89,7% van de AR-Kiesverenigingen instemden met het CDA?

‘Dat moet een voorzitter toch mooi vinden. Ik vond het prachtig. Ik was er ook om de 10,3% tot hun recht te laten komen?’

Hoe bent u hen nog tegemoet gekomen?

‘Als je dat aan de KVP en de CHU zou vragen, dan zouden ze zeggen: ‘Dat hebben we gemerkt al die jaren. De fusie heeft jaren geduurd.’ Wij hebben (in het fusieproces) geleefd tussen Ja, mits en Nee, tenzij.’ Ik heb veel gepraat met tegenstanders om hen over te halen. Een woordje veranderd in een resolutie of in een besluit. Dat type dingen.’

Welke kiesvereniging was het moeilijkst te overtuigen?

‘Bedoel je dat na het Ja of na het Nee?’

Beide

‘Degene die het meeste moeite hadden om mee te gaan, Amsterdam. In de hoofdstad waren de meeste progressieve leden. Ik heb als de lastigste ervaren: Ede. A moesten ze mij niet als voorzitter. B: in al die jaren dat ik functies had binnen de ARP en het CDA ben ik nog nooit voor een spreekbeurt in Ede gevraagd. C: als er lastige leden waren op de partijraad, dan kwamen ze vaak uit Ede. Misschien zijn ze er nu zelf verbaasd over als ze het horen.’

Stelling: Het was mijns inziens beter geweest dat er een federatieve CDA was geweest die tot op de dag van vandaag uit de drie partijen bestond.

‘Deze stelling wordt gesteld in 2020. Wat voor zin heeft die vraag vandaag de dag. Als we destijds na alle discussies hadden gekozen voor een federatie, dan zou ik het daar toen mee eens geweest zijn. Voor vandaag de dag heeft de stelling geen zin. Er is geen federatie gekomen en ik heb er zelf aan mee gewerkt dat er een partij is gekomen.’

Waarom hebt u het in Woudschoten laten gebeuren dat Henk Beernink het Evangelie uit de statuten van het CDA heeft weten te halen?

‘Daar heeft hij de Heilige Schrift voor ingevuld. Ik weet niet eens of ik daar geweest ben. Toen was ik nog geen voorzitter. Tegelijkertijd denk ik: ik zou er misschien niet eens tegen geweest zijn. De Heilige Schrift is een ander woord voor hetzelfde. Hij bedoelde de hele Bijbel.’

Had u het verwacht dat Beernink dat zou doen?

‘Nee. Ik zie er het grote gevaar niet van in. Waar maak je je druk om.’

Waarom sprak u ondanks dat het niet in de aard van de ARP ligt, vooraf een voorkeur uit voor samenwerking/regeren met de PvdA?

‘Ik weet dat het niet in de aard van de partij lag, maar het lag wel in mijn aard om duidelijkheid te verschaffen. Ik dacht dat dat wel kon. Dat waren een hoop mensen niet met mij mee eens, dat mag.’

Wat bracht u op het idee om af en toe dwars te zijn?

‘Als je in een partij zit waar je met je hele wezen voor kiest. Als je in een situatie zit waarin de KVP en de CHU verliezen en de ARP niet. Als je het goed met elkaar hebt, je gaat de goede kant op, er is ruimte voor vernieuwing. Misschien zit je dan niet te wachten op een vergrote KVP. Doe je elkaar daarmee recht? Ik kwam uit de jongerenorganisatie. Daar zit je per definitie in omdat je het beter denkt te weten dan de oude garde. Soms verzet je je tegen de oude garde. Je wilt de vernieuwing ruimte geven. Je moet het zien in de context van de jaren’60. Ik kom uit een arbeidersmilieu. In een christelijke partij kunnen ondernemers, boeren en arbeiders samenkomen, dat is het mooie van een christelijke partij.’

Zegt u dat wij bij het CDJA zitten omdat wij het beter denken te weten dan het CDA?

‘Nee. Het hoort bij jongeren dat men met een ander oog naar de samenleving kijkt. Heb geen schroom het eens flink oneens te zijn met het CDA. Er is een spotprent geweest in de Volkskrant  over een motie van ons Arjos bestuur die dwars tegen het kabinetsbeleid van Biesheuvel inging. Ik stak daarop een mes in de rug van Biesheuvel. Dat geeft aan hoe de jongeren zich soms tegen de oude garde keren. Biesheuvel kon daar best tegen. Hij zei tegen mij, mijn voorletters zijn HA. Van de A maakte hij Amos. Een van de profeten uit de Bijbel. Dan riep hij: ‘’Amos heeft gesproken!’’’

Hoe kwam u bij Helmut Kohl op kantoor?

‘Als vicevoorzitter van de Europese Volkspartij.  Dat was ik en dat was hij ook. Uit elk land was er een vicevoorzitter. Tindemans, de Belgische premier, was de voorzitter.

Tijdens de wandeling naar zijn huis voor dit interview begon Hans de Boer te praten over Helmut Kohl omdat een Duitser ons voorrang verleende. Hij zei tweemaal bij hem in de Kanselarij geweest te zijn. Om hem te ontmoeten moest hij talloze vertrekken door. Bij elke deur stonden twee mannen met mitrailleurs.

Waarom was een van de vier AR voorwaarden om tot een lijst te komen het tot inzet maken van de delen van het kabinetsbeleid van het kabinet-Den Uyl die ARP en KVP gesteund hebben?

‘Wat wil je anders? Dat we ons daarvan zouden distantiëren?  Er waren mensen die een vervolg op Den Uyl wilden. Daar was Aantjes een voorstander van. Ik misschien ook wel. Doordat het  kabinet gevallen is op de grondpolitiek, liep het niet mooi af. Bedenk je ook: de rol van de CHU. Die hadden tot het eind apart laten vastleggen dat we zo laat mogelijk zouden beslissen dat er een lijst zou zijn. Zij wilden de mogelijkheid behouden oppositie te voeren tegen  Den Uyl-II als die lijst er niet kwam. Ik vond die opstelling onheilig vuur op het altaar. Van de voorwaarde is niks terecht gekomen omdat het kabinet gevallen was en omdat Van Agt lijsttrekker werd. Hij kwam zwaar gefrustreerd uit het kabinet-Den Uyl. Denk aan hoe hij behandeld is inzake de kwestie-Menten.’

Vindt u het wenselijk dat het CDA voortaan de voorkeur voor een regeringspartner bekend maakt?

‘Nee, nee. Ik ben het eens met de stelling dat je bij verkiezingen aan kiezers vraagt stem op ons vanwege ons programma en vanwege ons gedrag. De kiezers moeten bewust voor jou kiezen. Je moet geen voorkeur uitspreken. Vandaag de dag is het helemaal niet zo logisch door de totale versnippering om een voorkeur uit te spreken. Wat je nog wel zou kunnen doen is dat je partijen uitsluit. Ik zou geen samenwerking willen met de PVV of het FvD. Ik ben ook geen voorstander van samenwerking in een kabinet met de SP. De SP is mij een te socialistische partij. Als bereid bent om zowel over links als over rechts te gaan, dan is het heel moeilijk om te zeggen: We hebben een voorkeur voor het een of het ander. Het is wat anders als je zegt: ‘’We hebben een geweldige vier jaar achter de rug met bepaalde partijen en we zouden dat graag willen voortzetten.’’’

Welke lijsttrekkers had men in 1976 allemaal op het oog?

‘De KVP had Frans Andriessen op het oog. Een kleiner deel Lubbers, maar hij kwam net uit het kabinet Den Uyl, hij was nog jong. Er was een deel van de KVP die hem zeker wel wilde. De CHU wilde iemand die niet gelinkt kon worden aan het kabinet Den Uyl, dus zij waren voor Jelle Zijlstra (ARP). De ARP was voor Lubbers. Maar Van Agt is het geworden. Hij stond bekend als een moderne progressieve rechtsgeleerde. Hij heeft het als minister goed gedaan.’

Hoe zijn jullie bij Van Agt uitgekomen?

‘Als je kijkt naar wie iedereen wilde, dan wilden ze de namen die genoemd werden, die wilden ze niet. Dan kom je bij iemand uit die men met zijn allen wel wil. Zo is Van Agt het geworden. De meeste moeite hadden we er in om hem te overtuigen. Hij is een twijfelaar en volgens mij hoort dat bij het speelse van de man.’

Waarom hadden sommige ARP leden een voorkeur voor Ruud Lubbers als lijsttrekker?

‘Hij was jong, de lijn in het kabinet-Den Uyl die hij volgde. Hij stond als progressiever dan Van Agt te boek.’

Wat was volgens u het grootste gevaar voor de eenwording van het CDA?

‘Als we het niet eens geworden waren over de grondslagdiscussie en als we de grondslag niet in algemene zin hadden aanvaard. Dat acht ik het grootste gevaar.’

Waarom is de ARP overstag gegaan in de grondslagdiscussie?

‘Er waren twee manieren om de CDA grondslag te gebruiken. Daarom waren Aantjes en ik het op den duur niet meer eens. Hij gebruikte de grondslag in politieke stellingname. Ik niet. Ik vond dat je de politieke stellingname niet mocht verwarren met de grondslagdiscussie. Dan waren er mensen plotseling tegen het CDA, namelijk mensen die zich niet in de onderwerpen konden vinden, zoals Hendrik Algra.’ (Oud-Eerste Kamerlid ARP en hoofdredacteur van het Fries Dagblad. red)

‘ In dat vaarwater wilde ik niet terecht komen. Dan zou de politiek als zodanig niet meer aan de orde komen. Het gaat toch om de politiek. Het gaat er toch om dat we vanuit de grondslag tot politieke dingen komen en niet dat de grondslag het belangrijkste is.’

Als u een naam aan de vier oprichters (de voorzitters) van het CDA zou willen toevoegen, welke zou dat zijn geweest en waarom?

‘Willem Hoogendijk. Ik ben van mening dat het welslagen van het CDA aan hem te danken is. De inhoud van de rapporten en het vinden van de juiste oplossingen voor de verdeeldheid over de grondslag is op meesterlijke wijze door het uitkomen bij ‘’de politieke overtuiging’’ het werk van Hoogendijk. Al die jaren heeft hij een hoofdrol op de achtergrond gespeeld. Hij was de directeur van het Wetenschappelijk Instituut. Hij heeft een prachtig boekje geschreven De samenleving vernieuwen. Dat was een boekje voor de Arjos.’

Hebt u nog een verhaal over Piet Steenkamp?

‘Steenkamp was weleens helemaal van de leg in de fusietijd. ‘’ Het wordt niks’’. Dan belde hij mij op en dan zei ik: ‘ Komt wel goed, Piet. Dit hoort bij het geheel om van A naar B te komen.’

Zijn er gemeentelijke afdelingen die gefuseerd waren, uitelkaar gegaan nog voordat het CDA werd opgericht?

‘Volgens mij niet.’

Zou Abraham Kuyper trots zijn geweest op het CDA van nu?

‘Wat vind je van zo’n vraag in 2020. We kunnen het hem niet vragen. Dit is een onzinvraag. Ik zal je uitleggen waarom. Als je nou iemand hebt die over het verschil tussen Rome en het Calvinisme uiterst duidelijke uitspraken heeft gedaan, dan is het Kuyper. Dus hoe zou hij nou over het samengaan met de KVP hebben gedacht….? Er is geen goed antwoord op. Hij heeft uit uitsluitend pragmatische overwegingen allerlei zaken met Schaepman (voorman van de katholieken) weten te regelen. Het was een uitermate slimme man, Kuyper.’

Is het CDA in 2020 geworden wat de ARP ervan had gehoopt?

‘Ik ben niet in staat om in 2020 namens de ARP te spreken. Dus  wat volgt is een persoonlijk relaas. Nee, dat is het niet geworden. Er is vaak een verschil tussen de prachtige rapporten en hun daden. Soms is het CDA teveel VVD-light. Vind je nou het sociale geweten bij het CDA als eerste vertegenwoordigd? In al die stukken staat dat het rentmeesterschap de hoofdrol moet hebben. Nou, als je de klimaatdiscussie volgt, kom je dan bij het CDA uit? Nee.  Ik ben het er ook niet mee eens dat Heerma zegt dat de samenwerking met FvD een Brabantse zaak is. Ik snap ook niet dat hij het zegt. Hij had landelijk stelling moeten nemen. Ik ben er niet zeker van dat het CDA niet met Forum in zee gaat.’

Wat vond u van de meerderheid in 2010 die met de PVV in zee wilde gaan?

‘Als je achteraf leest, dan lees je dat de macht de hoofdrol speelde. Vasthouden aan de macht. Daar kan het toch niet om gaan in de christelijke politiek. Ik schaamde mij voor Verhagen en Eurlings.’

Wat was het hoogtepunt van uw voorzitterschap?

‘Het eeuwfeest van de ARP. De hele dag staat mij nog bij. Het is toch geweldig dat je als eerste partij die ooit bestaan heeft, het honderdjarig bestaan mag vieren.’

HAARLEM – Voormalig ARP-leider, CDA-politicus, staatssecretaris, minister en burgemeester (van Haarlemmermeer) Hans de Boer wordt thuis in Haarlem geinterviewd door Ate Johan Travaille. COPYRIGHT DIRK HOL

Hoe zou u uw voorzitterschap willen typeren?

‘Als een zware klus.  Mijn belangrijkste taak was het CDA tot stand brengen tussen ja, mits en nee, tenzij.’

Waarom werd de CDA kritische Aantjes fractievoorzitter van het CDA?

‘Hij wilde het zelf heel graag. Hij is meegegaan naar het CDA. Ook hij heeft ja gezegd tegen het CDA. Dan kom je bij heel weinig mensen uit die op de stoel van fractievoorzitter willen en kunnen zitten. Het is nogal duidelijk. Er was een Rooms-Katholieke premier. Andriessen en Kruisinga gingen naar het kabinet.’

Hebt u een idee waarom u van 1 op 4 werd geplaatst op de ARP lijst in 1980?

‘Daar heb ik zeker een idee van. Iedereen die voor een motie had gestemd tegen kernwapens, zakte. Omdat ik op 1 stond, zakte ik het meeste. Daarom ben ik ook geen voorzitter van het CDA geworden. Men wilde dat ik de eerste voorzitter van het uit 1 partij bestaande CDA werd.’

Waarom werd u loyalist?

‘Er waren een aantal redenen om dat te doen. De geringe meerderheid die het kabinet Van Agt had, werd als een onvoldoende basis beschouwd voor het te voeren beleid. Tegelijkertijd hebben we gezegd, dat was dan het loyale eraan: We zullen het optreden niet beletten. Dat hadden we kunnen doen, dan had het kabinet nooit tot stand gekomen. We zouden constructief voorstellen beoordelen.’

Hebt u er spijt van dat u loyalist was?

‘Spijt die ik nu zou betuigen heeft geen enkele zin. Ik zeg wel, ik zou het nooit meer doen. Je kunt niet tegelijkertijd ja en nee zeggen. Ik heb destijds een gravamen ( Latijn voor bezwaarschrift) ingediend tegen het onderdeel kernwapens. Ik had het recht te stemmen tegen kernwapenmoties en kernwapenbegrotingen.’

Voelt het door Lubbers gevoerde beleid omtrent kernwapens als een overwinning?

‘Ja, dat heb ik als positief ervaren. Lubbers heeft hier zijn uiterste best gedaan om tot een goede oplossing te komen.’

Waarom koos u voor een carrière op het ministerie van Welzijn Volksgezondheid en cultuur?

‘Mijn achtergrond ligt bij de W en de C. Ik was al minister en staatssecretaris geweest van CRM. In mijn jaren als Kamerlid was ik lid van de commissie CRM. Lubbers en Brinkman deden een dringen beroep op mij en daarom ben ik afgetreden als burgemeester van Haarlemmermeer om Secretaris-Generaal op WVC te worden. Bij de W zaten allerlei subsidies die voor het CDA van grote betekenis werden geacht. Ze wilden dat Lemstra (CDA) werd opgevolgd door een CDA’er. Toen ik solliciteerde voor burgemeester van Haarlemmermeer  zei de Commissaris van de Koningin Roel de Wit (PvdA):’’ Weet je het wel zeker dat je burgemeester wilt worden? Dit wordt een keuze tussen je druk maken om kernwapens of om hondendrollen op straat. Het kon weleens zijn dat je dat snel zat wordt.’

Waarom bent u geen voorzitter geworden van de NOS?

‘Ik was toen nog maar net burgemeester van Haarlemmermeer, het was naar mijn mening niet mogelijk zo snel een andere baan te nemen, nog los van de vraag of ik naar de NOS had gewild.’

Hoe kijkt u als atoompacifist aan tegen kernenergie?

‘Dat zijn totaal verschillende zaken. Ik ben niet tegen kernenergie. Dan gaat het om afval, maar bij atoomwapens gaat het om mensenvernietiging. Er is reden om naar de gevaren van kernenergie te kijken. Dat heeft Jan van Houwelingen ook altijd gedaan in de ARP/CDA fractie.’

Zou u de STER-reclame willen afschaffen?

‘Van mij mag het afgeschaft. Ik heb een deel kunnen afschaffen. De shirtreclame in het profvoetbal heb ik weten af te schaffen. Ik was nog niet weg of het werd door opvolgers al weer ingevoerd. Geen commercie op je lijf was mijn standpunt. ‘

Wat zou u tegen studenten willen zeggen die geen CDA stemmen omdat  de C hun afschrikt?

‘Ik vind het geen beletsel om er wel op te stemmen. Laten we de vier à vijf partijen nemen die ertoe doen. Je moet zijn voor heel erg veel nadruk op het individu en de Staat zo ver mogelijk weg om bij de liberalen uit te komen. Als je dat niet wilt, moet je daar niet wezen. Dat heeft niks met christelijk te maken. Als je heel vaak vindt dat de overheid een sterke stempel op de samenleving drukt, moet je ook niet bij het CDA zijn, maar bij de PvdA. D’66 is een elitepartij. GroenLinks, daar zit de CPN bij. Ik ben niet vergeten dat er communisten bestaan, ik moet daar niks van hebben. Als je nadruk wilt leggen op eigen verantwoordelijkheid en de gemeenschap, dan moet je bij het CDA zijn. Je hebt de C er niet voor nodig om toch bij het CDA uit te komen.’

HAARLEM – Voormalig ARP-leider, CDA-politicus, staatssecretaris, minister en burgemeester (van Haarlemmermeer) Hans de Boer wordt thuis in Haarlem geinterviewd door Ate Johan Travaille. COPYRIGHT DIRK HOL

Wat vind u ervan dat we nu een deeltijdvoorzitter hebben?

‘Ze hebben geen geld om een voltijdsvoorzitter aan te stellen. Dat denk ik. We hebben nu 39.000 leden. Ik heb het 100.000e lid verwelkomd. De KVP had er toen 300.000 leden. Daarom is het niet zo’n gek idee dat ze bij de ARP steeds een Kamerlid tot voorzitter kozen. Die hoefde geen geld, want die had een baan. Ik zou er niet tegen zijn om een Kamerlid als voorzitter te kiezen.’

Hebt u nog een idee voor het verkiezingsprogramma van 2021?

‘We hebben vandaag de dag twee populistische partijen die een flink aantal zetels halen. Als we aan de opkomst van Fortuyn denken, zomaar 26 zetels. Hij schreef een boek: De verweesde samenleving. Als je antwoord zou moeten geven op de vraag. Hoe komt het volk verweesd? Hoe komen de populistische partijen aan die zetels? Het huidige CDA, maar ook andere partijen, hebben daar geen duidelijk antwoord op. Dat antwoord moet het CDA zoeken.

Wij staan tussen individu en Staat in. Het individu heeft veel te grote invloed gekregen. Dat is niet goed. Eigen verantwoordelijkheid heeft daaronder geleden. Hoe komt het dat de Staat steeds meer activiteiten naar zich toe heeft getrokken, terwijl we daar eigenlijk niet voor zijn? Let op de toezichtsorganen die zijn ontstaan. Let op een overmaat aan regels en protocollen. Dat zijn geen goede ontwikkelingen. De zorgzame samenleving is de afgelopen tijd afgebroken. Het sociale gezicht kan beter. Vergeet ook het klimaat niet.

Als je het klimaat wil redden en je wilt tegelijkertijd groeien? Die twee zijn niet te combineren. Je moet, en dan bedoel ik niet alleen de boeren. Bob Goudzwaard betoogde al jaren geleden de economie van het genoeg. Kijk eens serieus naar een genoeg.’

Wat is uw favoriete Bijbelvers?

‘Psalm 4 vers 7: Velen zeggen, wie maakt ons gelukkig! Heer, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.

Dat doet mij dus altijd zeggen: daar is geen antwoord op te geven. Wat is geluk? Bij het leven hoort ook lijden en ongemak. Geluk is een levenslange zoektocht. Daar heeft het geloof een hele grote rol in. Die tekst spreekt mij zeer aan, ook in mijn politieke werk. God helpt om geluk te vinden en dat duurt een leven lang.’

Uitspraken in het interview

‘Wij vonden de CHU conservatiever.’

‘Het is nooit op prijs gesteld dat Boersma en De Gaay-Fortman zich buiten ons om lieten overreden voor een ministerspost in het kabinet-Den Uyl.’

‘In Woudschoten speelde natuurlijk ook de kwestie De Zeeuw (partijvoorzitter van de KVP die een open programpartij wilde). Je kunt die zaak niet helemaal los zien van het feit dat als de KVP het over dit soort dingen had, dan hadden ze het in hun achterhoofd over los van het gezag van de Rooms-Katholieke Kerk. Declericalisering. Dat is niet hetzelfde als deconfessionalisering. Die begrippen werden nog weleens door elkaar gehaald. Ik ben er wel mee eens dat de richting van de Zeeuw niet gekozen werd.’

‘De CHU wilde het bewindsliedenoverleg van KVP en ARP ministers bijwonen. Dat is toch wel raar voor een oppositiegroepering. Dat met een beroep op dat we op weg waren naar het CDA.’

‘Als je weg bent, ben je weg. Ik behoor niet tot de categorie mensen die zich overal mee bemoeit. Het meeste gaat goed met mij.’

De Boer verzuchtte tijdens het interview een paar keer dat de fusietijd heel zwaar was.

‘De communisten waren zeer tegen een terugkeer van Aantjes in de Tweede Kamer. De VVD werd gevoed door sommige lieden omdat Aantjes geen kernwapens wilde.’

‘Ze hadden de spoorwegen destijds niet moeten opknippen en aanbesteden. Datzelfde geld voor elektriciteit. Dat zijn publieke dingen, die moet je niet privatiseren.’

‘Ik heb 35 jaar gekorfbald. Ik ben oprichter en erevoorzitter van DKV in IJmuiden. Ik heb de club op mijn 16e opgericht. Ik ben korfballer in hart en nieren.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Voorkom de kaalslag!

Nederland staat in brand. Althans, zo lijkt het. Noodkreet na noodkreet wordt uit geslaakt om bepaalde overheidsbegrotingen uit te breiden voor het maatschappelijk belang. DNB-President Klaas Knot gaf eind januari nog een 9 als rapportcijfer voor de Nederlandse economie, en zag in die situatie een houdbare groei voor zich. Toch voelen vele sectoren zich tekortgedaan. Een alternatieve blik op de economie is te evalueren op basis van de kwaliteit van de economie. Dan zien we een plaatje van een welvarend land, dat aan de randen van haar capaciteit zit. Voormalig Tweede Kamerlid Ed Groot illustreert die dalende kwaliteit door de overheid als volgt: “oplopende wachtlijsten in de zorg, tijdverspilling door files en te volle treinen en onmachtig is jonge gezinnen te huisvesten, daarmee de grondwet schendend die de overheid opdraagt te zorgen voor voldoende huisvesting.”[1] Vele sectoren winden zich op om meer begrotingsruimte te krijgen om kwalitatieve verbeteringen aan te brengen, op last van schatkistrentmeester Wopke Hoekstra. Ik zal in dit artikel ingaan op overheidstaken als sociale advocatuur, zorg en onderwijs.

Als het gaat over overheidsfinanciën is Nederland sowieso een vreemde eend in de bijt. In de afgelopen financiële crisis was Nederland nooit in de gevarenzone qua staatsschuld. Zeker niet vergeleken met andere Europese landen. Als wij Duitsland als meest stabiele financiële factor in Europa waarderen, kunnen we als Nederlanders best trots zijn. Vergeleken met de Duitsers moest Nederland 0,6% extra rente betalen op de staatsschuld in 2012. Ter vergelijking, België moest 1,9% extra betalen en Frankrijk 1,3%. Misschien heeft Nederland als gevolg van de lage staatsschuld, nu ook zo’n puike economie. Solide overheidsfinanciën zijn belangrijk omdat zij de kredietwaardigheid van een land op de lange termijn garanderen. Maar dit verklaart niet de tekorten van nu. Waar zitten die tekorten onder andere?

Sociale advocatuur

De afgelopen weken maakte Arjen Lubach goeie sier door zijn appèl over de sociale advocatuur. De vergoeding die de overheid biedt, zou volgens veel pro-Deoadvocaten veel te laag zijn. Ook het aantal uren dat aan een zaak wordt toegekend, zou niet overeenkomen met het daadwerkelijke aantal uren dat een sociaal advocaat kwijt is aan een gemiddelde procedure. Een paar jaar geleden gaf Anno Huisman, strafadvocaat te Deventer, een mooi voorbeeld, afkomstig uit een bestaande strafzaak. Een advocaat uit Amsterdam geeft rechtsbijstand aan een verdachte die in Houten in de cel is gezet. De verdachte wil graag bijstand bij de verhoren. De advocaat reist drie dagen heen en weer en is bij de verhoren aanwezig. Hij werkt in het totaal 23 uur en krijgt hiervoor 315 euro (en nog een kleine bijdrage voor de reiskosten van 9 cent/km). Dit komt neer op een vergoeding van een kleine 14 euro per uur. Hierover moet de advocaat wel nog belasting betalen. Dit staat in schril contrast met het uurtarief van 150 tot 200 euro dat een gemiddelde advocaat in rekening brengt. Aangezien dit geen uitzondering is, wekt de terugloop van het aantal advocaten dat voor minder vermogenden optreedt, geen verbazing.

Het beschermd worden door een advocaat is echter niet zomaar een gegeven, het is een grondrecht zoals genoteerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 6). De kaalslag van de overheid kan dus gezien worden als een invoering van de klassenjustitie in Nederland.

DEN HAAG – Advocaten demonstreerden vandaag voor de Tweede Kamer om het belang van de gesubsidieerde rechtsbijstand te onderstrepen. NOVUM COPYRIGHT DIRK HOL

Zorg

De zorg is ook een vergelijkbaar hoofdpijndossier. De Nederlandse zorg is geregeld via een beleid van gereguleerde marktwerking met decentrale partners. Het knelpunt is beheersing van de stijgende kosten van langdurige zorg voor een steeds oudere bevolking. De kosten in de zorg groeien met 7% per jaar, waarvan 3% direct toe te wijzen is aan de vergrijzing. Voor diegenen zonder rekenknobbel, dat is een verdubbeling van de kosten over elke 10 jaar. Terecht lijkt me dan dat Wopke Hoekstra daar aan de alarmbel trekt: de kostentoename is dan niet duurzaam te noemen. Het bestrijden van eenzaamheid en het verminderen van informele (mantel)zorg zal richting de toekomst ook een vergroting van de zorgkosten veroorzaken. Verder is de verwachting dat de productiviteit en effectiviteit van de zorg weinig toe zal nemen: het is immers een sector waarbij mensenhanden belangrijker zijn dan technologie. Het gaat om kwaliteit en veiligheid, doelmatigheid, gepaste zorg, samen beslissen, effectieve diagnostiek, dure geneesmiddelen, (digitale) communicatie, procesoptimalisatie, en last but not least compassie. Het is uiterst complex om al deze zaken te optimaliseren. Het gaat in deze discussie van kostenstijging dus niet alleen over dure geneesmiddelen of de discussies rond solidariteit, maar ook over de manier van decentrale organisatie, die een groot deel van de kosten inneemt.

Ook de veranderende definitie van het begrip ‘gezond’ veroorzaakt een toename van de ‘zorgconsumptie’. Het denken over gezondheid heeft het idee van ziekte en gebrek verlaten en we zoeken nu de oplossing in relatieve gezondheid in termen van zo hoog mogelijke kwaliteit. Het draait nu om ‘positieve gezondheid’, in plaats van de bare minimum. Stijgende lasten in de gezondheidszorg lijken dus onvermijdelijk.

Onderwijs

Het onderwijs is ook een zorgenkindje. Het platform WOinActie pleit al geruime tijd voor maatregelen om de werkdruk bij universitaire medewerkers te verlagen. Ondertussen wordt volop gediscussieerd over welke kant het op moet. Bijvoorbeeld meer ruimte en geld voor vrij en multidisciplinair onderzoek. Sinds 2000 is er een afname van de financiering per student met 25%, tegenover een toename van het aantal studenten van 68%. Naast WOinActie zijn docenten in het basisonderwijs (PO in Actie) en het middelbaar onderwijs (VO in Actie) ook in actie gekomen. De regeldruk zorgt ervoor dat docenten vaak veel werk mee naar huis nemen. De vergroting van klassen maken het moeilijker voor docenten om elk kind passende aandacht te geven. Daarom hebben veel docenten last van stress, burn-outs en over-commitment. Het onderwijs is ook minder aantrekkelijk geworden, wat je terugziet in teruglopende aanmeldingen voor de PABO-opleiding. Een rood vierkant is een internationaal symbool van verzet geworden. Daarbij staat het rood volgens de betogers symbool voor de staat van het onderwijs: in het rood.

DEN HAAG – Ruim 30.000 leraren in het basisonderwijs namen deel aan de manifestatie in het Haagse Zuiderpark in het kader van de landelijke lerarenstaking vandaag. Basisschoolleraren voeren actie voor een beter salaris en een lagere werkdruk. COPYRIGHT DIRK HOL

De corona-crisis zal het lastiger maken voor deze sectoren om meer geld toebedeeld te krijgen. Minister van Financiën Wopke Hoekstra is bereid om tot het uiterste te gaan om de gevolgen van de corona-crisis te bestrijden, zei hij donderdagmiddag in de Tweede Kamer. ‘Onze zakken zijn echt heel diep en ik ben bereid om ze helemaal te legen’, aldus Wopke. De crisis-buffer is geijkt aan de Europese regel dat de staatsschuld van een land niet meer dient te bedragen dan 60% van het bruto binnenlands product. Dit betekent een buffer van ongeveer 90 miljard euro. Erg veel geld, maar onmisbaar om deze crisis verantwoord op te lossen.

Het laat wat mij betreft zien dat overheidsfinanciën niet in lood gegoten zijn. Ze zijn aanpasbaar voor een wisseling in politiek denken. Zoals beschreven, gebruikt de overheid de laatste jaren steeds hetzelfde recept voor de toenemende druk op sectoren: het verhogen van de werkdruk door het negeren van uitdijende systemen en een toename van complexiteit (in de advocatuur, de zorg en het onderwijs). Een kaasschaafmethode die zorgt voor afpeigerend werkplezier, en bovendien minder mensen in deze beroepsgroepen. Dat is jammer, want we hebben in elk van deze drie sectoren een tekort aan mensen. Terwijl deze beroepen onze grondrechten behartigen en beschermen! Misschien kan de corona-crisis ons leiden tot dit andere denken. We moeten helder kijken naar de systemen en ze waarderen door kaalslag te voorkomen. Dat zal in sommige gevallen leiden tot meer overheidsuitgaven, maar zorgt voor het beschermen van onze grondrechten. Daar kan geen koopkrachtplaatje tegenop!


[1] Ed Groot, ‘Rapportcijfer negen’. Financieel dagblad. 30 januari 2020.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Waarom is Hobbes een moderne denker?

De afgelopen 10 jaar is er elk jaar een bundel over een politiek filosoof verschenen onder redactie van Andreas Kinneging, Maarten Colette en Paul de Hert. In 2019 werd de bundel Thomas Hobbes, de ik-gerichtheid van de politieke filosofie, gepresenteerd. Deze bestaat uit 13 artikelen en is gewijd aan Thomas Hobbes (1588-1679). Hobbes is een Britse politiek filosoof die aan het begin staat van de moderne opvattingen over de mens en staat.

Materie in beweging

De bundel opent met een bijdrage van hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden, Andreas Kinneging. Hij zet eerst de metafysische basis van Hobbes’ politieke filosofie uiteen. In tegenstelling tot de Traditie van het klassieke denken (Plato en Aristoteles) en het christendom (Augustinus en Thomas van Aquino) stelt Hobbes dat de wereld slechts materie in beweging is. Deze beweging is bovenal gedetermineerd. We kunnen deze gedetermineerde wereld kennen en in kaart brengen via de zintuigen. Het verstand voegt de indrukken samen waardoor abstracte, algemene begrippen ontstaan. Deze abstracties bestaan volgens Hobbes niet in de werkelijkheid maar slechts in onze geest. Hobbes is dus een materialist, determinist, empiricist en nominalist. Hobbes poneert een volledig nieuwe metafysica en ontwikkelt op basis hiervan zijn politieke filosofie. Deze is vooral te vinden in Elements of Law (1640), De Cive (1647) en Leviathan (1651).

Natuurtoestand

Deze politieke filosofie poneert Hobbes te midden van religieuze oorlogen in Engeland en partijtwisten in de Katholieke Kerk, Anglicaanse kerk en protestantse denominaties. De eenheid van het middeleeuwse christendom is ten tijde van Hobbes verdwenen. Een van de essayisten in de bundel, rechtsfilosoof aan de EUR  Jean-Marc Pirect, schrijft in zijn essay De religieuze burgeroorlog als denkkader en de politieke neutralisering van godsdienst bij Thomas Hobbes: ‘Hobbes wilde de brandende lont uit het kruitvat van de religie verwijderen door de theocratische machtsaanspraken van de godsdienst lam te leggen onder een dwingende staatsmacht’.[1] Het sociaal contract is de basis van deze dwingende staatsmacht. Aan het sociaal contract gaat de zogenaamde natuurstaat vooraf.  In het beroemdste werk van Hobbes, de Leviathan (1651) omschrijft hij deze natuurstaat: ‘de natuur heeft alle mensen in gelijke mate met lichamelijke en geestelijke vermogens bedeeld (..) het verschil tussen mensen onderling is niet zo aanzienlijk dat iemand op grond daarvan enig voorrecht kan opeisen waarop een ander niet even goed aanspraak kan maken (..) In geestelijke vermogens zijn mensen nog meer aan elkaar gelijk dan in kracht’. Hoe komt het dan dat mensen toch vaak denken dat zij beter zijn dan anderen in intellectuele vermogens? Hobbes antwoordt:  ‘dat deze gelijkheid misschien niet algemeen aanvaard wordt, komt omdat bijna iedereen een ijdele voorstelling heeft van zijn eigen wijsheid.’[2]

Oorlog van allen tegen allen

Deze gelijkheid zorgt voor nieuwe problemen zoals jaloezie, afgunst en haat. ‘Twee mensen worden elkaars vijanden, als zij dezelfde zaak begeren waarvan zij niet beiden tegelijk kunnen genieten, en om hun doel te bereiken (lijfsbehoud) trachten ze elkaar te vernietigen of te onderwerpen. Er is dus oorlog van allen tegen allen. In een oorlog is er geen ruimte voor zaken als arbeid, landbouw, architectuur en beeldende kunst. Er is een voortdurende angst voor een gewelddadige dood. Zogezegd is het menselijk bestaan ‘eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort’.[3] Alleen door een macht die boven iedereen staat, de soeverein, kan er vrede zijn. ‘Waar geen gemeenschappelijke macht is, bestaat geen wet, en waar geen wet is, bestaat geen onrecht’. In een oorlogstoestand bestaat er dus geen wet en is er geen goed en kwaad. Deze soeverein moet twee dingen doen om aan deze oorlogstoestand een einde te maken. Hij moet natuurwetten afkondigen en zorgen dat mensen zoveel mogelijk begeerten kunnen vervullen.

Zelfbehoud en begeerten

Hobbes denkt dat angst het universele motief in de mens is dat boven alle andere verlangens uitstijgt. Om iets te kunnen begeren moet je in leven zijn. Vanuit deze grondgedachte is het mogelijk om andere begeertes te vervullen en geluk na te streven. Geluk bij Hobbes is dus het vervullen van zoveel mogelijk begeertes. De ene begeerte is niet beter dan de andere. Mensen zijn immers gelijk. Er bestaat geen objectieve normering van de passies. Dat is aan het individu om zelf te bepalen. Het essay van Hakan Külcü, De natuurlijke ordening van de ziel des mensen, gaat in op deze thematiek. ‘Wat mensen nastreven (desire) is voor hen goed (good/bonum) en waar zij een weerzin voor voelen is voor hen kwaad (evil/malum).’ In Boek VI, hoofdstuk 24 van de Leviathan schrijft Hobbes: ‘De woorden goed, kwaad hebben altijd betrekking op de persoon die ze gebruikt. Er is niets wat dit zonder meer en in absolute zin is’.[4] Zelfbehoud en het bevredigen van begeertes is dus waar het om gaat in het leven. Het nastreven van de deugd is onzin want de deugd bestaat niet. Het goede is voor iedereen anders.

Natuurwet

Dan past Hobbes de klassieke definitie van de natuurwet aan. De natuurwet bij Plato, Aristoteles is voorgegeven en heeft een absoluut karakter. Bij Augustinus en Thomas van Aquino is de natuurwet door God in de schepping geplaatst. Deze natuurwet kan gevonden worden door de menselijke rede en is de norm voor goed en kwaad. Hobbes stelt daarentegen dat de natuurwet ‘de vrijheid is die iedereen heeft om zijn eigen macht te gebruiken tot behoud van zijn eigen natuur, dus om alles te doen wat hij naar zijn eigen oordeel en rede als het meest geschikte middel beschouwt’. De belangrijkste natuurwet is dat iedereen naar vrede moet streven, zo lang hij de hoop heeft dat zij bereikt kan worden, en dat hij, als ze onbereikbaar is, alle middelen en voordelen van de oorlog mag opzoeken en gebruiken. De natuurwetten zijn in strijd met onze natuurlijke hartstochten die ons aanzetten tot partijdigheid, hoogmoed en wraakzucht. Alleen een macht die groot genoeg is om onze veiligheid te verzekeren kan ons deze natuurwetten opleggen. Het overdragen van een recht noemen we het sluiten van een contract of verdrag.

Hobbes als moderne denker

Waarom staat Hobbes aan de basis van de moderniteit? Hobbes stelt voor het eerst dat de werkelijkheid slechts bestaat uit materie in beweging die gedetermineerd is. Hobbes breekt met de Traditie van de klassieke oudheid en het christendom waarin altijd een immateriële werkelijkheid wordt onderscheiden. Daarnaast breekt hij met een hiërarchische indeling van de werkelijkheid zoals Aristoteles voor zich zag. Mensen zijn radicaal gelijk. Een derde breuk met de Traditie vindt plaats doordat Hobbes de mens ziet als een asociaal wezen dat zijn eigenbelang voorop stelt en zoveel mogelijk materiële begeerten wil vervullen. Goed is niet langer objectief bepaald en te bereiken via de deugd maar goed is wat je zelf fijn vindt. Slecht is wat pijn doet voor jou. Een laatste breuk is de manier waarop Hobbes het gezag van de overheid bepaalt. Dit komt niet voort uit God of een natuurlijke orde maar wordt overgedragen middels een contract van het volk aan de soeverein, de Leviathan.

Om onze tijd te begrijpen is het dus van belang om nader kennis te nemen van de ideeën die Hobbes poneert. De verschillende aspecten van Hobbes’ werk en tijd zijn mooi  samengebracht in verschillende essays in deze bundel. Aangezien het boek een bundeling van essays is, is het niet noodzakelijk om alle essays achter elkaar te lezen. Voor (politiek) filosofen, juristen en politicologen is dit een absolute aanrader.


[1] Jean-Marc Pirect, De religieuze burgeroorlog als denkkader en de politieke neutralisering van godsdienst bij Thomas Hobbes in Andreas Kinneging, Maarten Colette En Paul De Hert (Red.) Thomas Hobbes, de ik-gerichtheid van de politieke filosofie, Eindhoven: Damon, 2019, pp. 27-64.

[2] Hobbes, Leviathan, I.13.

[3] Idem.

[4] Hobbes, Leviathan, VI.24.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Politieke update

Even voorstellen: Niels Honkoop
Sinds het CDJA-najaarscongres in Middelburg in november ben ik jullie politieke aanspreekpunt binnen het Dagelijks Bestuur van het CDJA. Ik ben 27 jaar, raadslid voor het CDA in Gouda en bestuursmedewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn in Den Haag. Wanneer ik daartoe de tijd heb, ga ik het liefst op reis door Oost-Europa. Die regio trekt mij erg aan, omdat ik vind dat het zakelijke en vlotte Nederland veel kan leren van de gastvrijheid van onze oosterburen.

Ik zie het als mijn taak om onze leden zo goed mogelijk te betrekken bij de politieke besluitvorming binnen onze vereniging. De christendemocratie kan vernieuwende ideeën en betrokken jongeren namelijk heel goed gebruiken. Heb je een idee, of wil je politiek iets betekenen, maar weet je niet goed waar te beginnen? Neem dan gerust contact met mij of met een van de werkgroepvoorzitters op. Wij denken graag met je mee!

Niels Honkoop – bestuurslid Politiek & Internationaal – n.honkoop@cdja.nl – 0616229571
Arne de Kruijf – Werkgroep Buitenlandse Zaken & Defensie – bzd@cdja.nl
Noah Brok – Werkgroep Justitie & Binnenlands Bestuur – jbb@cdja.nl
Dirk Otten – Werkgroep Duurzaamheid, Natuur & Landbouw – dnl@cdja.nl
Emma den Uijl – Werkgroep Onderwijs, Cultuur & Wetenschap – ocw@cdja.nl
Thomas Bel – Werkgroep Digitalisering & Infrastructuur – di@cdja.nl
Leroy van de Ven – Werkgroep Volksgezondheid, Welzijn & Sport – vws@cdja.nl
Nils Verheuvel (waarnemend) – Werkgroep Sociale zaken, Economie & Financiën – sef@cdja.nl
Hugo Westerlaken – Werkgroep Europa – europa@cdja.nl

Regiovisie
Op het najaarscongres in november heeft de ALV een resolutie aangenomen die bepaalt dat het CDJA een regiovisie moet opstellen. In deze visie wordt uitgewerkt hoe wij aankijken tegen de verhouding tussen de stad en het platteland, welke voorzieningen nodig zijn om rurale gebieden aantrekkelijk en leefbaar te houden en welke bestuurlijke werkwijze tegemoet komt aan de wensen van regio’s. Aangezien iedere regio zijn eigen sociale, economische en culturele eigenschappen heeft, is het nodig om zo veel mogelijk inzichten te verzamelen voordat een goede regiovisie geschreven kan worden. Jullie kunnen mij hierbij helpen. Wil jij meedenken over de CDJA-regiovisie? Neem dan contact met me op via n.honkoop@cdja.nl.

PJO-Parlement 2020
Op 5 en 6 maart vond het jaarlijkse PJO-Parlement weer plaats in het gebouw van de Tweede Kamer in Den Haag. Een team CDJA’ers trok ten strijde tegen jongeren van negen andere politieke jongerenorganisaties over thema’s als emancipatie, buitenlandse zaken en duurzaamheid. Wij namen deel aan twee van de vier coalities, leverden twee commissievoorzitters en hielden vlammende betogen achter het spreekgestoelte van de Tweede Kamer. Het waren twee bevlogen en leerzame dagen in Den Haag!

Jong BSV
Het CDA is de partij met de meeste gekozen jongeren van Nederland in gemeenteraden. Hier zijn wij bijzonder trots op! Dit jaar beginnen wij in samenwerking met de Bestuurdersvereniging van het CDA met het opstarten van een netwerk van jonge CDA-raadsleden, -wethouders en -statenleden. Het is als beginnend politicus altijd fijn om met leeftijdsgenoten te sparren over lokale politieke onderwerpen. Heb jij suggesties over relevante lokale thema’s? Laat het mij weten via n.honkoop@cdja.nl.


Vliegpact
In samenwerking met zes andere politieke jongerenorganisaties is de afgelopen maanden hard gewerkt aan het opstellen van een nieuw vliegpact. In dit pact roepen wij onze moederpartijen op om vergaande maatregelen te nemen die moeten leiden tot een infrastructuur die duurzaam reizen door Europa haalbaar maakt. Wij zijn niet tegen vliegen op zich, maar bepleiten door innovatie en het aanbieden van duurzame alternatieven, de uitstoot van het vliegverkeer drastisch omlaag te brengen. Dit pact is tot stand gekomen uit overleg tussen de JD, JS, DWARS, Perspectief, PINK, SGPJ en CDJA.

SCHIPHOL – Met enige vertraging is dinsdagmiddag het vliegtuig uit Rio de Janeiro met daarin de leden van TeamNL, de sporters, de coaches en de verzorgers van de Nederlandse delegatie op de Olympische Spelen in Brazilië, op Schiphol geland. De sporters liepen over een oranje loper tussen applaudiserende KLM-stewardessen door naar gereedstaande bussen, die hen naar de huldiging bij de RAI brachten. Foto: Bij aankomst op het platform werd de half in oranje gespoten Boeing 777 van de KLM verwelkomd door de brandweer met een ereboog van water, Ferry Weertman zwaaide even eerder met de Nederlandse vlag vanuit de cockpit. COPYRIGHT DIRK HOL

Politiek programma

Onder voorzitterschap van Robert Klaassen is in november een nieuw politiek programma vastgesteld, dat voor het CDJA de politieke doelen voor de komende tijd uiteenzet. Het politiek programma is te vinden onder deze link.

Aangenomen resoluties
Algemene Ledenvergadering:

  • Onderwijs
  • Behoedzaamheid Chinese studenten
  • Bestrijding zorgcowboys
  • Ja/ja-sticker voor reclamedrukwerk
  • Leefbaarheid in de regio (waaruit de regiovisie zal voortvloeien)
  • TREKKER
  • Trots op de Bossche Bol

Algemeen Bestuur:

  • Pillenfeest organiseren? Straf incasseren
  • Sporters zonder LOOT-status (voor mantelzorgers)
  • Marinier hier (over de marinierskazerne in Vlissingen)
  • Verlenging opening kerncentrale
  • Borsele 2, 3 en 4

Overig nieuws

  • In december is Thomas Bel aangetreden als voorzitter van de Werkgroep Digitalisering & Infrastructuur (DI);
  • In januari is Leroy van de Ven aangetreden als voorzitter van de Werkgroep Volksgezondheid, Welzijn & Sport (VWS);
  • In maart zijn Diederick van Wijk en Peter Buiting herbenoemd voor nog een termijn om het Internationaal Secretariaat te bemannen;
  • Vanaf maart zal Nils Verheuvel de positie van voorzitter van de Werkgroep Sociaal-Economische Zaken en Financiën (SEF) waarnemen.

Onze inzet voor het CDA-verkiezingsprogramma
Uiteraard gaan wij ons als jongeren intensief tegen het verkiezingsprogramma van het CDA aan bemoeien. Hiertoe hebben wij een stuk geschreven met punten waar deze wat ons betreft op zijn minst aan moet voldoen. De komende tijd zullen wij hiertoe geregeld de media opzoeken. Ook vragen wij jullie om ons goed in de gaten te houden en ons daarbij te helpen. Samen kunnen we namelijk meer impact maken!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Smaakmakers

“Warum nenne ich Herrn Höcke einen Nazi? Weil er einer ist!” Harde woorden van het CDU. Je kan ze niet verwijten de andere kant op te kijken wanneer er samengewerkt wordt met extreemrechts.

Duitsland staat niet op zichzelf. Door heel de westerse wereld verschuift de politiek naar de polariserende flanken. Alleen al in januari. In Ierland werd de links-nationalistische Sinn Fein, ondanks IRA-banden, de grootste. In Slowakije wonnen de Neofascisten flink. En in de VS lijkt Bernie Sanders de democratische nominatie in de wacht te slepen. Zijn concurrenten beschouwen hem als marxist.

Wat opvalt is dat vooral jongeren de extreme flanken steunen.

Iemand die zich hiermee bezig houdt, is Bas Heijne. Onlangs mocht ik met hem het podium delen om het te hebben over de vraag hoe het kan dat het politieke midden zijn charme verliest. In zijn nieuwe essay mens/onmens beschrijft hij twee problemen. Subjectieve beleving is leidend. Werkelijkheid en beleefde werkelijkheid worden meer dan ooit verward. Daarnaast ziet Heijne een visieloos en niet uitgedaagd liberalisme.

Tekenend hiervoor is hoe Baudet complottheorieën over de EU de Kamer in slingert. Wordt hij daar op aangesproken dan is het woord complot ‘semantisch meerduidig’. Ook de parlementaire enquêtecommissie over ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen stond vorige maand machteloos. (Bewust?) botsende definities van salafisme en het islamitisch huwelijk maakten goed onderzoek moeilijk.

In het licht van de Bergrede geeft Heijne hier oplossingen voor. Hij spoort aan het gesprek aan te gaan met onbekenden en botsende wereldbeelden.

Maar geeft de Bergrede ook niet antwoord op dat tweede probleem?

“Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest hoe kan het dan weer zout worden? Het dient nergens meer voor het wordt weggegooid en vertrapt.” Mattheüs 5:13  

“Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het dan zijn kracht teruggeven? Zorg dat jullie het zout niet in jezelf verliezen en bewaar onder elkaar de vrede.” Marcus 9:50

Niet alleen duidelijk wijzen op de feiten en de onwaarheden zoals de Duitse CDU doet is de oplossing. Wil het politieke midden de jonge generatie trekken, dan zal zij ook weer de smaakmaker moeten worden.

Deze column verscheen eerder in Het Goede Leven

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Contact

Beste

We helpen jou graag aan een antwoord op al je vragen over Interruptie. Stel ze gerust in het contactformulier op deze pagina.