Met een christendemocratische duurzaamheidsvisie kun je de koplopers en de middengroep met elkaar verbinden

Interview

Jantine Zwinkels is 30 jaar oud, adviseur op het gebied van duurzaamheid en gemeenteraadslid voor het CDA in Utrecht. Ze staat op plek 26 van de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2021. Een gesprek over duurzaamheidsuitdagingen en de groene christendemocratie.

Wat vind je het meest kenmerkend aan de christendemocratische duurzaamheidsagenda?

“Voor mij begint het bij de term rentmeesterschap: het centraal durven stellen van duurzaamheid, impact maken en denken aan de volgende generaties. Rentmeesterschap gaat voor mij niet alleen over een paraaf in het verkiezingsprogramma, maar ook over nadenken over hoe rentmeesterschap een rol kan spelen in andere domeinen. Wat ik hier belangrijk bij vind is sociale duurzaamheid: dat je kijkt naar hoe je ervoor kunt zorgen dat iedereen mee kan blijven doen en dat de overheid mensen en milieu ook weet te beschermen.

Volgens de christendemocratische visie vraagt duurzaamheid ook om maatwerk en om samen stap voor stap te willen verduurzamen. Daarbij bedoel ik niet alleen dat je zorgt voor draagvlak, maar ook dat mensen intrinsiek gemotiveerd raken om te verduurzamen. Zelf voel ik mij heel prettig bij deze visie omdat we ons hiermee niet verschuilen achter beleidsdoelen. Volgens de christendemocratie moet je echt in gesprek gaan, mensen opzoeken en kijken wat de mogelijkheden zijn. Wat ik hier belangrijk aan vind, is dat je hiermee uitgaat van de kracht van de samenleving en de gedeelde verantwoordelijkheid die we hebben, en niet van de markt of de overheid. Als het gaat om duurzaamheid heb je altijd koplopers, achterblijvers en een grote groep die daar tussen zit. De koplopers moeten we vooral belonen voor hun harde pionierswerk, want dat biedt perspectief. Een mooi voorbeeld daarvan is de ontwikkeling van natuur-inclusieve landbouw. Met een christendemocratische duurzaamheidsvisie kun je de koplopers en de middengroep met elkaar verbinden.”

Maria van der Hoeven (voormalig CDA-minister en directeur van het International Energy Agency) zei in een interview met Christen Democratische Verkenningen: ‘Maak de agenda voor de energietransitie inclusief; zorg dat iedereen in de wereld kan meedoen en zo onderdeel van de oplossing wordt.’[1] Waarom is het zo moeilijk om de energietransitie inclusief te maken?

Jantine Zwinkels is al langer politiek actief voor het CDA onder meer als raadslid in Utrecht.

“Om te beginnen omdat de energietransitie om grotere investeringen vraagt. Op de lange termijn is het financieel vaak gunstig, maar lang niet iedereen kan dit zomaar betalen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een elektrische auto of zonnepanelen. Je ziet gelukkig wel dat dankzij de doorontwikkeling en opschaling in de markt de kosten van duurzame technieken naar beneden gaan en hierdoor ook minder subsidie nodig is. Een duurzamere economie bevat ook banen die in sociaal opzicht wenselijk zijn. Kijk bijvoorbeeld naar een deeleconomie en wat voor banen daarbij komen kijken. Je wilt ook dat iedereen onder goede omstandigheden kan werken.

Daarbij is de markt voor duurzaamheid vaak nog jong en onvolwassen. Het aantal spelers, producten en de kennis in de markt groeit ieder jaar weer. Die innovaties (in uiteenlopende sectoren) moeten een serieuze kans krijgen, de overheid zou daarin kunnen optreden als een launching customer. Deze omslag maken we helaas niet van de één op de andere dag. Daarom moeten we niet denken dat we er met een paar duurzame alternatieven gelijk zijn. En deze alternatieven hebben ook zo hun nadelen. Zo wordt momenteel onderzoek gedaan naar de milieu-impact van batterijen van elektrische auto’s.

De Sustainable Development Goals (SDG’s) vind ik mooi, omdat die een gemeenschappelijke taal vormen. Het zijn doelen die kunnen helpen in de communicatie richting burgers. Dit draagt bij aan een vergroting van de herkenbaarheid van duurzaamheid. Mooi hieraan vind ik ook dat mensen makkelijker met hun eigen initiatief kunnen komen. Die initiatieven beginnen vaak dichtbij: dat mensen zich eigenaar gaan voelen van hun eigen omgeving. Dat zet ook aan om na te denken over milieu en leefomgeving. Zelf vind ik dat ook een belangrijk aspect aan inclusiviteit: mensen aanmoedigen en de ruimte geven om mee te doen aan zulke initiatieven.”

Met je raadslidwerk heb je ook te maken met aardgasvrij-projecten. Hoe hoopvol ben je over de realisatie van die projecten?

“Het moeilijke van deze projecten is dat jete maken hebt met de collectieve keuzes ten opzichte van de individuele keuzes. Als gemeente zul je mensen dus heel goed moeten laten inzien dat ze onderdeel uitmaken van een groter plaatje. Vervolgens moet je concreet maken wat het betekent voor een huis en welke aanpassingen en no-regret-maatregelen genomen kunnen worden. En, we moeten blijven openstaan voor innovatieve ontwikkelingen. Op deze manier kun je de mensen laten inzien dat het geen desinvestering is.

We proberen wijkgericht stappen te zetten. Nu zijn er zogenaamde proeftuinen gestart. Ik vind het goed dat er dan wordt gekeken naar wat er past bij de kenmerken van een wijk. Daar komt dus ook maatwerk bij kijken.”

Volgens het verkiezingsprogramma van het CDA moet de polarisatie tussen drammers en ontkenners worden doorbroken door de christendemocraten. Hoe moet het debat over verduurzaming worden gevoerd?

“Ik denk dat het belangrijk is als het CDA ‘in het midden’ gaat staantussen de drammers en de ontkenners om zo het gesprek open te kunnen voeren over duurzaamheid. Je ziet dat partijen op de flanken vaak hun paradepaardjes al klaar hebben en zichzelf al hebben ingegraven: dit is sowieso slecht en dat is sowieso goed. De discussies rondom biomassa en kernenergie zijn hier voorbeelden van. Als CDA kunnen we ook de ruimte bieden om experts aan het woord te laten en continu te kijken naar nieuwe ontwikkelingen en innovaties en die te durven omarmen. Zo kan het CDA wat flexibeler zijn in gepolariseerde discussies.

Het is belangrijk om drammers en ontkenners anders te benaderen in een debat. Als ontkenners niet te overtuigen zijn van de noodzaak van verduurzaming en het een non-issue vinden, dan heeft het weinig zin om over oplossingen te gaan praten. Je zou het daarom met de ontkenners beter kunnen hebben over problemen als zwerfafval, luchtkwaliteit en milieuvervuiling. Dat is iets wat zij ook belangrijk vinden. Met drammers kun je het daarentegen ook goed hebben over de beste aanpak met oog voor haalbaarheid. Het debat bestaat dus uit meer dan ‘voor’ en ‘tegen’: er zijn verschillende niveaus waarop je het debat kunt voeren. Als genuanceerde, bedachtzame middenpartij zijn we bereid om ook naar andere geluiden te luisteren. Daarmee kom je verder in een debat en in de samenleving. Ik denk dat we dat moeten blijven doen. Tegelijkertijd mogen we wel ambitieus zijn. Het CDA wordt niet altijd gezien als de duurzame partij. Ik denk dat op dat gebied veel winst te behalen is.”

Het is belangrijk om drammers en ontkenners anders te benaderen in een debat.”

Buma, sprak over ‘de groene elite’ en ‘de gewone Nederlander’, die al dan niet kan meekomen. Hij maakte zich wel eens zorgen dat het klimaatbeleid tot nieuwe scheidslijnen in de samenleving leidt. Deel je deze zorgen?

“Als het gaat om duurzaamheid denk ik dat je in bepaalde bubbels terecht kunt komen en dat het onze (wellicht ieders’) taak is om dat te doorbreken. In dat opzicht kan ik mij vinden in wat Buma zegt. Maar ik wil wegblijven van de stelling dat er hele harde scheidslijnen zijn en dat er een ‘groene elite’ is. De gevolgen van klimaatbeleid en de toegankelijkheid van de energietransitie raken juist ook mensen die er nu misschien nog niet erg over nadenken. Daarom denk ik dat het iets zou moeten zijn van ons allemaal. Ik werk nu bijvoorbeeld aan een windenergieproject bij een gemeente. Daar zijn we aan het kijken zijn naar de mogelijkheden voor een duurzaamheidsfonds. Het geld dat daarmee gegenereerd wordt, wordt teruggeven aan de lokale gemeenschap. Op die manier kunnen er weer nieuwe duurzaamheidsinitiatieven in de gemeente worden opgestart. Daarbij kun je inwoners ook laten meebeslissen over de besteding van het geld. En dan kun je weer de koppeling maken met de sociale aspecten die je kunt realiseren. Ik zou de duurzaamheidsuitdagingen liever op deze manier aanvliegen dan te benoemen dat er een ‘groene elite’ is.

Daarnaast denk ik dat duurzaamheid voor een groot deel draait om je eigen gedrag. Kijk bijvoorbeeld naar afval scheiden. Iedereen kan daaraan een steentje bijdragen. Ik denk dat we aan mensen moeten blijven vertellen dat zoiets veel zin heeft. Dit zorgt voor bewustwording en voorkomt, anders dan als je termen gebruikt als ‘groene elite’, dat er groepen en scheidslijnen ontstaan, en mensen afhaken. Dit is denk ik een betere manier om het debat te voeren.”

In het verkiezingsprogramma staat ook dat het CDA, om het draagvlak voor klimaatmaatregelen te vergroten, een landelijk burgerberaad wil dat de politiek adviseert over de uitwerking van het klimaatakkoord. Wat vind je van dit idee?

“Ik denk dat het sowieso belangrijk is dat we mensen laten participeren in en meedenken met het beleid van de overheid. Tegelijkertijd denk ik dat we wel moeten kunnen laten zien wat er vervolgens wordt gedaan met de inbreng van het beraad zodat we niet op voorhand een valse belofte doen en vervolgens teleurstellingen gaan creëren. Als politici zijn we er om belangen af te wegen, maar ook om te luisteren en (onnodige) knelpunten weg te nemen. In ons verkiezingsprogramma staat ook een punt over maatschappelijk initiatiefrecht. Daarmee laat je ook zien dat het niet alleen iets is van de overheid.”

Wat is volgens jou een rechtvaardige verdeling van de kosten van milieumaatregelen? Moeten de vervuilers, de sterkste schouders of iedereen evenveel betalen aan duurzame energietransitie?

“Ik denk dat het een combinatie moet zijn. Het principe van de vervuiler betaalt vind ik op zich terecht omdat het de kleinverbruikers enigszins ontziet en stimuleert om je consumptie te verminderen. Het pakt echter niet altijd uit zoals wenselijk is in de samenleving, bijvoorbeeld als er blijkt dat kwetsbare mensen of mensen die het niet breed hebben veel moeten bijdragen. In dat geval ben ik er meer voor dat de sterkste schouders meer lasten dragen. Ik denk dat het ook goed is om solidair met elkaar te zijn. Solidariteit is ook een belangrijk principe voor het CDA.

COPYRIGHT DIRK HOL

In fiscale systemen zou het ook goed zijn om prikkels toe te voegen die duurzaamheid stimuleren. Bijvoorbeeld door duurzame, innovatieve producten niet te veel te belasten. In dat opzicht kan ik mij ook vinden in het idee om materialen meer te belasten in plaats van arbeid. Daarbij kun je de niet-recyclebare materialen iets duurder maken en kijken of je een financiële prikkel kunt toevoegen om materialen die wel hergebruikt zijn aantrekkelijker te maken. Op deze manier kun je een nieuwe vorm van werkgelegenheid creëren. Dat is ook iets waar ik mij heel graag voor zou willen inzetten, mocht ik landelijk actief worden. Dit zijn ook echt landelijke issues en niet iets waar ik mij in de gemeente voor kan inzetten.

Verder zie je dat het CDA erg opkomt voor gezinnen als het bijvoorbeeld gaat om de verdeling van lasten. Dat vind ik mooi, maar ik vind het ook belangrijk dat we breder blijven kijken naar andere groepen zoals studenten en ouderen. Studenten die al het belabberde leenstelsel voor hun kiezen hebben gekregen, wat is dan fair als het gaat om de verdeling van lasten?

Wopke benoemt terecht dat veel mensen in Nederland het financieel goed hebben en dat het goed is als mensen hun verantwoordelijkheid nemen om hun steentje bij te dragen en wat terug te doen voor de maatschappij. Gelukkig zie je veel mensen die dit doen. Bijvoorbeeld ouderen die het goed hebben en geld geven aan goede doelen, vrijwilligerswerk doen of groen beleggen. Dat aspect vind ik ook belangrijk. Niet alleen kijken naar wie de lasten moet dragen, maar ook naar wat we vanuit onszelf kunnen doen. Op het gebied van duurzaamheid kunnen we nog veel winnen.”

Wat vind je vanuit het oogpunt van duurzaamheid van de steunmaatregelen die afgelopen tijd door het kabinet zijn verschaft?

“We willen graag dat bepaalde branches verduurzamen. Zo ben ik met mijn werk bezig met elektrisch taxivervoer. Ik denk dat we met steunmaatregelen aan zo’n branche juist kunnen kijken hoe de branche kan vergroenen. En, als we kijken waar de overheid steunmaatregelen aan uitgeeft, kunnen we nadenken hoe we duurzaamheid daar een plek in kunnen geven. Op deze manier kunnen we meedenken en helpen om het duurzame alternatief, wat juist nu lastig is omdat veel sectoren in financieel zwaar weer zitten, na corona wel een boost geven. In crises is het natuurlijk altijd lastig om ook nog een keer over duurzaamheid te praten, maar we moeten het nu wel doen.”

“In crises is het natuurlijk altijd lastig om ook nog een keer over duurzaamheid te praten, maar we moeten het nu wel doen.”

Wil je verder nog iets kwijt over de besproken thema’s?

“Ik vind het heel mooi om te zien dat er binnen het onderwijs steeds meer aandacht is voor duurzaamheid, zowel op basisscholen, als op middelbare scholen als op het middelbaar onderwijs en het hoger onderwijs. Nu zijn er afstudeerrichtingen, minors en zelfs hele studies op het gebied van duurzaamheid. Als ik kijk sinds 2012, toen ik ben afgestudeerd, is er heel veel in positieve zin ontwikkeld en veranderd. Tegelijkertijd denk ik dat het nog steeds beter kan. Zelf heb ik meegewerkt aan projecten als zonnescholen (zonnepanelen op de schooldaken) en ‘afvalvrije scholen’. Deze scholen zijn bijvoorbeeld bezig met afvalinzameling, zodat leerlingen leren om beter afval te scheiden en er bewust mee om te gaan. Ik zou het heel goed vinden als ermee wordt gestart in het basisonderwijs en het een onderdeel blijft van het onderwijs. Als dat een continue lijn wordt, kunnen er nog veel meer nieuwe ideeën vandaan komen.”


[1] Jan Prij, ‘Energietransitie doe je samen’, Christen Democratische Verkenningen 38 (2018), nr. 4, pp 108-110.

Authors

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *