Kiezen voor de waarde van mensen

Essay

De storm die al jaren woedt in het Midden-Oosten slaat haar golven op Europa. Twee maanden lang mocht ik deze zomer werken waar deze golven Europa het eerst bereiken: in kamp Moria op het Griekse eiland Lesbos. Terwijl in Nederland het publieke debat gevoerd werd over de opvang van 500 minderjarigen mocht ik hen een karige plek toewijzen om te leven. Terwijl de toestroom van migranten in Nederland leidt tot gevoelens van vervreemding, vond ik vrienden onder de vluchtelingen wanneer ze me uitnodigden om met hen te eten. En terwijl ik weer in mijn eigen bed in Nederland lag, brandde Moria tot de grond toe af en sliepen de mensen die ik twee maanden gediend heb op straat. 

De vraag wat ‘goed’ is voor een situatie zoals deze bleef bij mij vaak terugkomen. Toen ik daar was, maar ook toen ik terugkwam in Nederland. Ik kwam in de eerste plaats naar Moria om mens te zijn met de mensen daar, maar ook om met mijn eigen ogen te zien wat daar gebeurt. Het probleem lijkt zo groot dat een oplossing er niet direct lijkt te zijn. De roep om een oplossing klinkt echter des te harder nu Moria in rook is opgegaan.

Onze partij kent een achterban die aan verschillende kanten van hetzelfde probleem veel waarde hecht. En als CDA’er herken ik beide eindjes van het touw waaraan getrokken wordt. Enerzijds is het waarderen van het eigene, onze taal, cultuur en tradities, belangrijk binnen het gedachtegoed van het CDA. Dit stabiliseert namelijk de samenleving en maakt het samen leven mogelijk. Anderzijds is er de overtuiging dat we moeten zorgen voor en omzien naar onze medemens. Solidariteit en barmhartigheid vormen kernbegrippen in de christendemocratie, ook als het gaat om de vluchtelingen die op ons Europese grondgebied en daarmee onder onze verantwoording komen. 

Deze twee geluiden hebben binnen het CDA wisselend geklonken en gehoor gevonden. In de eerste editie van CDV van 2016 geeft ethicus Paul van Tongeren een interessante analyse: “Alleen al de woorden waarmee we erover spreken zijn wat dat betreft onthullend. ‘Vluchtelingen’ zijn ‘migranten’ geworden en vervolgens zijn ze als personen helemaal onzichtbaar geworden in het verschijnsel ‘migratie’. … De mensen die eerst ‘vluchtelingen’ waren omdat ze geweld of armoede ontvlucht zijn, of die ‘drenkelingen’ werden omdat ze nauwelijks levend de kust van Europa bereikten, blijven niet dezelfde mensen als ze ‘migranten’ gaan heten of wanneer ze via ‘economische vluchtelingen’ als ‘gelukzoekers’ worden bestempeld. Ze veranderen eerst voor ons, die zo over hen spreken. Hun betekenis voor ons, het beroep dat zij doen op ons verandert. Maar daardoor verandert vervolgens ook hun lot: het is anders om een vluchteling te zijn die opgevangen wordt dan om een migrant te zijn die gewantrouwd wordt.” (Paul van Tongeren, CDV 2016, ed. 1, De tragische pervertering van het vluchtelingendebat).

DEN HAAG – Actievoerders van MiGreat en Evacuate Moria waren van zondagavond tot maandagavond op het Plein Den Haag. Tussen de Tweede Kamer en het standbeeld van Willem van Oranje voerden zij 24 uur een bewustwordingscampagne in een nagebouwd stukje vluchtelingenkamp Moria. Op kartonnen dozen, matjes en in lekke tentjes, net als de gevluchte mensen op Lesbos. Onder de hashtag #thisisnotahome vertellen zij dat de levensomstandigheden aan de Europese grenzen onmenselijk en onhoudbaar zijn. Het merendeel van de actievoerders was jongere, zij gingen met voorbijgangers in gesprek en deelden bananen uit waar in het engels was geschreven: Hongerig? Dit is alles wat je krijgt voor vandaag. COPYRIGHT DIRK HOL

Vervolgens beschrijft Van Tongeren wat dat met ons doet: “Op die manier gaat bovendien het hele probleem verschuiven, en op een nogal dramatische manier. Want waren het aanvankelijk de vluchtelingen die in de problemen zaten, inmiddels zijn wijzelf geworden tot degenen die een probleem hebben. Wie kan, wanneer er gesproken wordt van ‘de migratiecrisis’ daarin nog de problemen herkennen van de mensen die hun land en gezin verlaten om via levensgevaarlijke routes een uiterst onzekere toekomst tegemoet te gaan? Hun problemen zijn vervangen door het probleem dat zij zijn geworden voor ons, bij wie ze aankloppen. Onze welvaart wordt bedreigd, onze sociale voorzieningen komen in gevaar; het lijkt er zelfs op dat we plots gaan ontdekken wat we allemaal willen behouden en bewaren – doordat het bedreigd wordt.”

Dat wat Van Tongeren in 2016 al voorzag als dramatische verschuiving van het probleem, heeft binnen het CDA ruimte gevonden. In de jaren die volgden werd door verschillende prominenten binnen het CDA, niet geheel onterecht, begrip getoond voor de beleving of ervaring dat vluchtelingen een probleem voor ons geworden zijn doordat zij bij ons aankloppen. Van Tongeren beschrijft het typerend: “Onze politici reageren dan ook door te roepen om maatregelen ter bescherming tegen het dreigende gevaar; we moeten de vluchteling ‘ontmoedigen’, streng gaan selecteren, de gezinshereniging vertragen. We gaan proberen het probleem naar buiten de eigen grenzen te verplaatsen, we spreken over bovengrenzen voor wat betreft de aantallen, en ja – toegegeven – we zullen ook proberen iets te doen aan de ellende die deze massa’s in beweging brengt naar onze landen, dat wil zeggen: aan de oorzaken van de ramp … die ons treft.”

Zo sprak Sybrand Buma in zijn HJ Schoolezing in 2017 over bezorgde burgers, die in een multiculturele samenleving “… onderweg naar dat volmaakte Nederland iets kwijt [raakten] wat de elite überhaupt niet zag: hun gemeenschap, hun identiteit, het gevoel thuis en geborgen te zijn.” (Sybrand Buma, HJ Schoolezing 2017: ‘Verwarde tijden!’ die om richting vragen). Ook Hugo de Jonge sprak met name over onze problemen, toen hij in het NRC in januari betoogde dat het noodzakelijk is een bovengrens aan migranten – Europese arbeidsmigranten en vluchtelingen – vast te stellen (Rik Wassens, NRC, 5-1-2020: De Jonge verscherpt scheidslijn binnen coalitie over migratie).

En Wopke Hoekstra stelde in zijn HJ Schoolezing in 2019 dat aan de Nederlandse keukentafel, naast sociaal-economische toenemende onzekerheid, een tweede onderwerp speelt: “Opnieuw een onderwerp dat bijdraagt aan de onzekerheid en waar we de combinatie van geven en nemen, van rechten en plichten, van wederkerigheid uit het oog zijn verloren.” Aan de hand van een anekdote over een Syrisch ouder echtpaar in de spreekkamer van de huisarts die een andere set aan normen, waarden en sociale verhoudingen uitdraagt dan we die in Nederland graag zien, laat Hoekstra zien hoe hier een gebrek is aan balans tussen rechten en plichten (Wopke Hoekstra, HJ Schoolezing 2019: “Het land van morgen. Naar een nieuw maatschappelijk evenwicht”).

Het midden waar wij ons als partij begeven heeft een ambitie die zich niet laat verwoorden in gemakkelijke kreten en imponerende oneliners. Dat midden handelt enerzijds vanuit barmhartigheid en solidariteit maar wil anderzijds garant staan voor onze culturele identiteit met haar normen, waarden en tradities. 

Dit midden, wat in zichzelf genuanceerd en gebalanceerd is, kan ons van geen enkele verantwoordelijk ontdoen. Sterker nog, dit betekent dat we ons een dubbele verantwoordelijkheid toekennen: om gepassioneerd te zijn in het nastreven van rechtvaardigheid en barmhartigheid. Om op te staan tegen onrecht en ons in te zetten om de mensen in de Griekse kampen menselijke waardigheid te geven. En om tegelijkertijd te zorgen dat we er alles aan doen om deze mensen, wanneer zij een verblijfsvergunning krijgen, ertoe in staat te stellen Nederlander te worden en deze verwachting ook zonder enige concessie te hebben. 

Toen ik in Moria was, heb ik veel hartverscheurende verhalen gehoord. Ik heb oneindig vaak situaties aangetroffen die van geen enkele vorm van menselijke waardigheid spreken. Ik heb de Griekse rechtsstaat zien disfunctioneren. Ik heb fascistische haat gezien die leidde tot geweld richting vluchtelingen en richting ons als hulpverleners. Ik heb gehuild met de huilenden. Ik heb gelachen om de kleinste dingen waarom gelachen kon worden. Boven alles heb ik gezien hoeveel potentie er in mensen zit, hoeveel wil er is om naar hoop te streven en terug te geven van alles wat ontvangen wordt. Dat maakt dat we ons zonder compromis moeten richten op een oplossing van dit alles, zonder daarmee voorbij te gaan aan de behoeften van ons eigen land. 

In Moria sprak ik een man die uit Afghanistan gevlucht was voor de Taliban. Een man die de helft van zijn familie verloren was, die vrienden had zien verdrinken in de zee en die een jaar geleden de botten van kinderen verzamelde nadat zij stierven als gevolg van een zelfmoordaanslag op een school. Een man die alle reden had om niet meer in het deugen van de mensheid te geloven. Halverwege zijn verhaal keek hij me aan en zei: “Weet je wie hier 200 jaar geleden woonden? Ik niet, en jij niet. Hun namen zijn zelfs van hun grafstenen afgesleten. Maar hun daden en hun keuzes bepalen hoe de wereld eruit ziet waarin wij hier en nu leven. Doe daarom altijd het goede.”

Het is aan ons als christendemocratische partij om te staan in het politieke midden waarin onze overtuiging ligt en om te kiezen voor een verantwoordelijk pad wat uitgaat van menselijke waardigheid. We staan voor een tweeledig probleem, wat vraagt om een houding waarin we met twee woorden spreken. Waarin we niet hoeven te kiezen tussen mensen, maar waarin we kiezen voor de waarde van mensen. Dat is geen pasklare oplossing, maar wel een houding die leidt tot oplossingen. Dat doet een appèl op onze Kamerleden en onze bewindspersonen, op onze gemeenteraadsleden en onze wethouders, op onze leden en op iedereen die verantwoordelijkheid kan nemen. Het noopt tot een gespreide verantwoordelijkheid voor rechtvaardigheid, solidariteit en barmhartigheid. 

Authors

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *