Titus Brandsma, de mysticus met oog voor politiek en journalistiek

Essay

Afgelopen zondag 26 juli 2020 was het achtenzeventig jaar geleden dat Titus Brandsma op 26 juli 1942 is omgekomen in kamp Dachau. Brandsma stond bekend om zijn grote ijver en bijzondere wilskracht waarmee hij zich inzette als priester, journalist en hoogleraar.[1] De eerste keer dat ik kennismaakte met zijn persoon was in maart 2019 toen ik met mijn vader en broers de Friezenkerk in Rome bezocht. Na de viering dronken we koffie in de zogenaamde Titus Brandsmazaal boven de kerk met uitzicht op het Sint-Pietersplein. In deze zaal stond een buste van Titus Brandsma (1881-1942) en zodoende raakte ik geïnteresseerd in zijn leven en werk. Wie was Titus Brandsma? En wat kunnen we van hem leren? Via een vriend van mij stuitte ik op het Titus Brandsma Instituut. Ik sprak met dr. Inigo Bocken (1968), wetenschappelijk directeur van dit Instituut die een wetenschappelijke biografie over Titus Brandsma schrijft.[2] Enkele onderdelen van dit artikel zijn gebaseerd op dit gesprek. 

Onze man in Rome

Anno Sjoerd Brandsma werd op 23 februari 1881 geboren in een boerderij vlakbij het Friese plaatsje Bolsward waar nu het Titus Brandsmamuseum is gevestigd. Op zeventienjarige leeftijd trad hij in bij de bedelorde van de Karmelieten en koos als kloosternaam Titus, naar de leerling van de apostel Paulus en niet geheel toevallig de naam van zijn vader. In 1905 werd Titus in de St. Jan van Den Bosch tot priester gewijd waarna hij in Rome zijn studies voortzette en in 1909 aan de Gregoriana promoveerde in de wijsbegeerte. Dr. Bocken vertelde dat eigenlijk niemand weet wat het onderwerp van zijn proefschrift is en dat hij waarschijnlijk gepromoveerd is op stellingen. Ook publiceerde hij in Rome een aantal artikelen over sociale kwesties die hij opstuurde naar het Katholiek Sociaal Weekblad waarmee hij de Nederlandse katholieke intelligentsia op de hoogte hield van de gebeurtenissen in Rome en de wereld.

Journalistiek als verlengstuk van de politiek

Terug in Nederland werkte hij als docent filosofie in Oss en hoofdredacteur van het dagblad De Stad Oss. Hij was betrokken bij het katholiek onderwijs en onderhield een briefwisseling met politicus Piet Aalberse (1871-1948) die een belangrijke rol speelde in zijn twintigerjaren. Hoewel Brandsma niet actief is geweest voor de Roomsch-Katholieke Staatspartij gaf hij vooral in de jonge jaren blijk van een groot politiek inzicht waarbij hij zich tussen het socialisme en liberalisme positioneerde. Hij was samen met Aalberse voorstander van een katholieke staat die niet programmatisch maar als het ware organisch tot stand moest komen. Samen met Aalberse was Brandsma van mening dat de journalistiek een verlengstuk was van de politiek en de katholieke arbeidsbevolking zich door educatie zou kunnen verheffen. Later is het activisme op politiek gebied overgegaan in het nadenken en beoefenen van de mystiek alhoewel hij heel zijn leven zijn politiek inzicht zou blijven inzetten.

‘De mysticus met het treinabonnement’

In 1923 werd hij benoemd tot hoogleraar in Nijmegen. Dit zal in 2023 gevierd worden met de publicatie van een nieuwe intellectuele biografie.[3] Brandsma kreeg bij zijn benoeming als leeropdracht onder andere ‘geschiedenis der wijsbegeerte en geschiedenis der Nederlandse mystiek’. De mystiek en de beoefening daarvan zouden een rode draad door het leven van Titus Brandsma worden. Zo leidde hij de uitgave van de werken van de middeleeuwse mystica Theresa van Avila (1515-1582) en bevorderde die van de mysticus Johannes van het Kruis (1542-1591). Ook richtte hij een instituut en een tijdschrift op ter bestudering van de Nederlandse mystiek en organiseerde hij driedaagse congressen over dit thema in 1930, ’32 en ’34 en ’36. De vele reizen en lezingen over de mystiek bezorgden hem van Godfried Bomans (1913-1971), die bij hem college liep, de bijnaam ‘mysticus met het treinabonnement’. Nog steeds wordt zijn werk bestudeerd en organiseert het Titus Brandsma Instituut studieweken en leesgroepen over zijn spiritualiteit.[4]

‘Een daad van lafheid’

Ondertussen veranderde de politieke situatie dusdanig met de opkomst van het fascisme en nationaalsocialisme. Al in de Diesrede van 1932 is tussen de regels door een waarschuwing tegen het opkomende fascisme te lezen. Vanaf 1934 sprak Brandsma zich openlijk uit tegen het opkomend nationaalsocialisme. Zo hield hij in dat jaar een rede voor studenten over de Heldhaftigheid en de roep om een sterke man waarin hij zich verzette zich tegen de rassenleer. Ook sprak hij zich in 1935 in De Waan der Zwakheid publiekelijk uit tegen de Jodenvervolging in Duitsland en noemde hij de maatregelen tegen de Joodse inwoners ‘een daad van lafheid’.[5] Ook waarschuwde hij als hoogleraar voor het gedachtegoed van het nazisme en de rassenhaat. Onbekend is waarom hij toch in 1940 de Ariërverklaring heeft ondertekend. Dr. Bocken vertelde dat bijna iedereen deze verklaring ondertekende. Brandsma heeft hier waarschijnlijk niet goed bij stilgestaan. Wel protesteerde hij in 1941 toen de Duitse bezetters Joodse scholieren uit het katholieke onderwijs probeerden te verwijderen. Als adviseur van de rooms-katholieke Journalistenvereniging verzette Brandsma zich tegen het opnemen van NSB-advertenties door het schrijven van een brief. Middels een rondreis langs verschillende redacties lichtte hij deze brief toe. Deze reis werd verraden en op 19 januari 1942 werd Brandsma gearresteerd door de Gestapo wegens ‘sabotageactiviteiten’. Hij werd gevangengezet te Nijmegen, Arnhem, Scheveningen, Amersfoort en Kleef. Tijdens deze gevangenschappen bleef Brandsma zijn gedachten aan het papier toevertrouwen. Zo haalde Brandsma in de cel in Arnhem de Bijbeltekst uit het boek Job aan: ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij gezegend’. En in Scheveningen schreef Brandsma zijn memoires Mijn Cel en zijn requisitoir tegen de NSB genaamd Waarom verzet.

‘We gaan voor die mensen bidden’

In Amersfoort leerde Brandsma de gereformeerde predikant Johannes Kapteyn (1908-1942) kennen met wie hij goed bevriend raakte. Aan elkaar vastgeketend werden ze overgebracht naar concentratiekamp Dachau, het verzamelkamp van geestelijken en predikanten. Direct bij aankomst werd Brandsma mishandeld waarop hij in reactie zei: ‘We gaan voor die mensen bidden.’ Na twee weken verhuisde hij naar een barak met bijna alleen maar Poolse geestelijken. De Blockältester en Stubenältesten waren sadisten die speciaal uitgekozen waren om hun haat jegens geestelijken. Op Goede Vrijdag drukten ze een metalen doornenkroon in het hoofd van een Poolse priester. Ook Brandsma moest mishandeling ondergaan toen hij, door de zware arbeid in de kruidentuin, niet meekwam in het loodzware ritme. Hij klaagde niet en bleef zijn medegevangenen troosten. Deze lijdensweg van Brandsma eindigde in het Revier waar hij rustig de dood afwachtte. Buiten bewustzijn werd Titus Brandsma op 26 juli 1942 om twee uur ’s middags met een carbolzuurinjectie vermoord.[6]

Brandsma als personalist? De mens als relationeel wezen

Een van de kritiekpunten op Brandsma is dat hij te veel praktisch bezig was om filosoof genoemd te kunnen worden. Het is niet bekend door welke grote denkers Brandsma is beïnvloed al heeft hij wel veel invloed ondergaan van zijn leermeester Antoine Pottier. Dat Brandsma geen echte filosoof was wijst dr. Bocken van de hand met de stelling dat Brandsma’s filosofie een sterke nadruk op de praxis en het concrete handelen heeft. Brandsma ageerde tegen de moderne abstracties en zag de mens als een relationeel wezen dat geroepen is om met God en de medemens in dialoog te treden.

Dit komt tot uiting in de Diesrede gehouden op 17 oktober 1932 ter gelegenheid van de Dies Natalis van de Universiteit Nijmegen. ‘Onder de vele vragen, welke ik mij zelf stel, houdt wel geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mens, prat en fier op zijn vooruitgang, zich in zo grote getale afkeert van God.’[7] Brandsma stelde de vraag hoe dit kon en ging in 25 pagina’s langs de ideeëngeschiedenis van  het Godsbegrip. Aan het einde van de rede stelde Brandsma dat de mens ten diepste ‘voortkomt uit’ en ‘afhankelijk is van’ God. Door dit te erkennen ontstaat er ‘maatschappelijke orde’ en komt de ‘mens uit zijn isolement’ doordat hij ‘zichzelf ziet in betrekking van afhankelijkheid. Niet slechts verbindt het de mens met God, maar ook ziet de mens zich verenigd in betrekking met andere mensen’.[8]

Brandsma gaf met zijn leven concreet gestalte aan deze overtuiging door zijn zorg voor ieder mens vanuit zijn priesterroeping, zijn bewogenheid voor de Joodse bevolking, zijn betrokkenheid op studenten en zijn voortdurende zorg voor medegevangenen en gebed voor zijn beulen. Hij toonde aan dat de mens geen individualistisch wezen is dat alleen voor zichzelf leeft. De mens staat ten diepste in relatie tot de ander en komt alleen ten volle tot bloei in een liefdevolle verhouding tot zijn naaste. Deze visie op de mens als intrinsiek waardevol en relationeel wezen vertoont grote overeenkomsten met de stroming van het personalisme waar denkers als Max Scheler (1874-1928), Dietrich von Hildebrand (1889-1977) en Paul Scholten (1875-1946) in thuishoren. Waarschijnlijk heeft Brandsma in Rome contact gehad met Von Hildebrand. Een andere bekende personalist is Johannes Paulus II (1978-2005) die hem in de homilie van zijn zaligverklaring op 3 november 1985 als voorbeeld van liefde noemde voor ‘de gelovigen van zijn land, Nederland’.[9]

De twee kanten van Titus Brandsma

De persoon van Titus Brandsma bevat eigenlijk twee kanten: de mystiek-filosofische kant en de sociaal-politieke kant. De verbinding tussen deze twee kanten komt het beste tot uiting in zijn reeds genoemde requisitoir tegen de NSB, Waarom verzet, opgetekend in de politiegevangenis op 22 januari 1942. In plaats van polemische retoriek over de verschillen tussen Nederland en Duitsland zocht Brandsma naar de verbinding in het heetst van de strijd waarmee hij blijk geeft van diepe naastenliefde. In de slotzinnen eindigde hij zijn verantwoording met deze vredeswens:

‘God zegene Nederland. God zegene Duitsland. Geve God, dat beide volken weldra weer in volle vrede en vrijheid naast elkander staan in zijn erkenning en tot zijn eer tot heil en bloei van beide zoo na verwante volken.’[10]

Foto: Fotograaf Agaath


[1] Van der Meer, Baur en Engelbregt (red.) De Katholieke Encyclopaedie, Amsterdam: Uitgeverij Joost van den Vondel, 1950, p. 19.

[2] https://www.titusbrandsmainstituut.nl/nl/contact/medewerkers/bocken-inigo/.

[3] https://www.kn.nl/nieuws/acht-nieuwe-artikelen-van-titus-brandsma-gevonden/.

[4] https://www.titusbrandsmainstituut.nl/nl/.

[5] https://www.karmel.nl/tegen-het-nationaalsocialisme/.

[6] Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in den Tweede Wereldoorlog, 1939-1945, Deel 5, tweede helft, ’s-Gravenhage, 1974, p. 757-759.

[7] Brandsma, Diesrede Godsbegrip, Nijmegen, 1932, p. 1.

[8] Brandsma, Diesrede Godsbegrip, Nijmegen, 1932 p. 23-24.

[9] https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=600&doc=379&id=0.

[10] Brandsma, Waarom verzet zich het Nederlandsche volk, met name het Katholieke volksdeel, tegen de N.S.B.? 1942.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *