Door goede machten trouw en stil omgeven

Essay

Vandaag is het 75 jaar geleden dat de Lutherse predikant, theoloog en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (4 februari 1906 – 9 april 1945) op persoonlijk bevel van Hitler werd opgehangen in concentratiekamp Flossenbürg vanwege hoogverraad. Wie was deze moedige Duitser die zich geroepen wist om zijn stem te verheffen tegen het naziregime?

Bonhoeffers leven

‘Ik word niet ouder dan zevendertig jaar’ vertelde Dietrich Bonhoeffer eens tegen een student.[1] Bonhoeffer zat er niet ver naast want hij werd negenendertig jaar oud. In dit betrekkelijk korte leven heeft Bonhoeffer veel gedoceerd en geschreven. Bonhoeffer werd geboren in een welgesteld liberaal gezin van acht kinderen. Hij studeerde theologie in Tübingen en promoveerde summa cum laude op het onderwerp ‘de kerk als sanctorum communio’ (de kerk als gemeenschap van heiligen) aan de Universiteit van Berlijn. Vervolgens werd hij hulppredikant in Barcelona en maakte hij een studiereis naar New York waar hij het aanwezige racisme zag. In 1931 keerde hij terug naar Berlijn waar hij docent theologie aan de Friedrich-Willems Universiteit in Berlijn werd. Vervolgens bekleedde hij het ambt van predikant in Berlijn en in de Duitstalige gemeenschap in Londen.

Navolging

Bonhoeffer doorzag het opkomende nazisme vanaf het begin en verzette zich hiertegen op allerlei manieren. Zo hield hij in 1933 een radiotoespraak waarin hij waarschuwde voor Hitler als verleider en gaf hij leiding aan een ondergronds seminarie in Finkenwalde waar predikanten van de zogenaamde Bekennede Kirche werden opgeleid. De Bekennende Kirche was de Duitse ondergrondse Kerk die als reactie was opgericht tegenover de officiële Deutsche Reichskirche. Finkenwalde was een soort klooster waarin het christelijke leven van de vita contemplativa werd beleefd. Op basis van deze ervaringen en studie van de Psalmen schreef hij zijn werk Verborgen omgang. Later zou hij de hierin beoefende vita contemplativa aanvullen met de vita activa die hij uiteenzette in zijn werk Navolging dat hij in 1937 schreef.[2] In dit werk zette Bonhoeffer uiteen hoe een christen midden in de wereld kan leven. In datzelfde jaar werd Finkenwalde gesloten door de Gestapo. Een aantal voorgangers en studenten werd gearresteerd. Bonhoeffer ging hierop nog meer ondergronds maar tekende openlijk verzet aan als het nodig was. Zo sprak hij zich na de Kristallnacht in 1938 uit met de woorden: ‘alleen wie voor de Joden schreeuwt, mag Gregoriaans zingen’.[3]

Aristocratisch christendom

Op uitnodiging van een seminarie in New York vertrok Bonhoeffer in 1939 naar New York maar brak deze reis af omdat hij de roeping voelde om het nazisme te bestrijden in zijn vaderland. Hij werd in de gaten gehouden door de Gestapo en kreeg in 1940 een spreekverbod opgelegd. Via bemiddeling van zijn zwager, Hans von Dohnányi (1902-1945), ging Bonhoeffer werken voor de Duitse contraspionage, met de smoes dat de wereldwijde, interkerkelijke contacten goed van pas konden komen voor het regime. In werkelijkheid ging Bonhoeffer door met zijn verzet als koerier voor de Duitse verzetsbeweging en hielp hij samen met Von Dohnányi Duitse joden te vluchten naar Zwitserland. Ook was hij betrokken bij de verzetsgroep rond kolonel Claus Schenk von Stauffenberg (1907-1944) die op 20 juli 1944 een mislukte aanslag pleegde op Hitler. In de brieven van deze tijd, later gebundeld uitgebracht onder de titel Verzet en overgave door Bonhoeffers vriend, Eberhard Bethge, sprak Bonhoeffer over een ‘aristocratisch christendom’. ‘Aristocratisch christendom is een christendom dat niets moet hebben van lafheid en lauwheid, dat de wereldvlucht afwijst en wantrouwend staat tegenover religieuze emoties en angsten (..) Het is een mannelijk en hard geloof zonder geklaag en gejammer’.[4] Dit aristocratisch christendom boog niet voor het nazisme maar wilde het bestrijden door te wijzen op de culturele ontaarding, de afwijzing van het natuurrecht en de willekeurige wetteloosheid die de kern van het nazisme vormden.

Door goede machten trouw en stil omgeven

In juni 1942 ontmoette Bonhoeffer Maria von Wedemeyer met wie hij zich op 13 januari 1943 verloofde. Een paar maanden na deze verloving, op 5 april 1943, werd Bonhoeffer samen met zijn zwager Dohnányi gearresteerd en gevangengezet. Vanuit deze gevangenis zette hij zijn intellectuele werk door en schreef hij zijn zogenaamde Bruidsbrieven aan zijn verloofde. Ook schreef hij zijn beroemde gebed ‘Von guten Mächten treu und still umgeben’ (door goede machten trouw en stil omgeven). Op 9 april, bij zonsopkomst, werd hij echter opgehangen, twee weken voordat Flossenbürg bevrijd werd door de Amerikanen.

Bonhoeffer over de kerk en de staat

Als docent aan de Universiteit gaf Bonhoeffer in 1932 colleges over de kerk waarin hij inging op de verhouding tussen de kerk en de staat. Hij maakte onderscheid tussen staat en overheid. ‘Staat betekent geordende gemeenschap. De overheid is de macht die de ordening tot stand brengt en in standhoudt. Het begrip overheid is echter een ruim begrip; het heeft op meer betrekking dan alleen op de staat. Overheid is ook aanwezig in kleinere gemeenschappen zoals het gezin’.[5] Bonhoeffer stelde dat de overheid door God gegeven is en de staat hier een verschijningsvorm van is. De staat mag haar macht en gezag dus niet misbruiken. De staat heeft volgens Bonhoeffer ‘als autonome wereldlijke autoriteit zijn eigen plaats’.[6] ‘Overheid en kerk zijn in hun opdracht van elkaar gescheiden en op geen enkele wijze ondergeschikt aan elkaar, de kerk niet aan de staat en de staat niet aan de kerk; zij staan naast elkaar’.[7] Hierin onderscheidt ze zich van de kerk die een andere roeping heeft. De kerk mag zich niet inmengen in de zaken van de staat en heeft als zwaard het Woord en het gebed. Ze mag niet proberen de gang van zaken in de staat te bepalen.[8] De kerk mag de staat niet bekritiseren uit partijbelang maar alleen als de staat het Woord bedreigt. Bonhoeffer waarschuwde zijn studenten dat ‘strijd noodzakelijk is’ als de staat over de grenzen heengaat en zich inmengt in de kerk.[9]

Bonhoeffer en de christendemocratie

Anno 2020 leven we in vrijheid en staan overheid en kerk in een totaal andere verhouding dan de tijd van Bonhoeffer. We kunnen dankbaar zijn voor 75 jaar vrede en vrijheid. Toch denk ik dat we veel van Bonhoeffer kunnen leren. Allereerst zijn moed om kritisch te zijn ten opzichte van ideeën en bewegingen die de vrijheid van godsdienst, geweten en meningsuiting onderdrukken. Bonhoeffers moed om te getuigen van de waarheid en hiervoor tot het uiterste te gaan biedt inspiratie aan politici. Daarnaast kan zijn houding van rust en hoop te midden van lijden vandaag een voorbeeld zijn nu de wereld getroffen wordt door groot lijden als gevolg van het Coronavirus. Bonhoeffer wist zich betrokken op het lijden en stond midden in de wereld. Hij zag de organische verbanden en instituties van huwelijk, gezin en staat als wezenlijk voor de instandhouding van de orde in de wereld en als plekken waar deugd en fatsoen beoefend kan worden.[10] Ze bieden bescherming om wetteloosheid, willekeur en wanorde te voorkomen. Deze organische verbanden staan ook vandaag onder druk en daarom vraagt elke tijd om een eigen getuigenis. Bonhoeffers leven en werken kunnen een inspiratiebron zijn voor de christendemocratische politici vandaag de dag.

Bron afbeelding: dietrich-bonhoeffer.net


[1] Dietrich Bonhoeffer & Maria von Wedemeyer, Bruidsbrieven uit de cel 1943-1945, Leiden: Uitgeverij J. J. Groen en Zoon, 1995, p. 7.

[2] Over deze verhouding schreef Bonhoeffer in hoofdstuk 1 ‘De kostbare genade’ van deel I van Navolging.  

[3] Spruyt, Lof van het conservatisme, Amsterdam: Uitgeverij Balans B.V., 2003, p. 120.

[4] Spruyt, Lof van het conservatisme, p. 126.

[5] Dekker, De kerk lost niets op, Bonhoeffer over de relatie tussen kerk en wereld, Kampen: Uitgeverij Ten Have, 2006, p. 98.

[6] Bonhoeffer, De levende kerk. Teksten over de kerk 1932-1933, Utrecht: Uitgeverij Boekencentrum, 2018. Vertaald en bezorgd door Edward van ’t Slot, p. 142

[7] Dekker, De kerk lost niets op, Bonhoeffer over de relatie tussen kerk en wereld, p. 103.

[8] Bonhoeffer, De levende kerk. Teksten over de kerk 1932-1933, p. 142.

[9] Bonhoeffer, De levende kerk. Teksten over de kerk 1932-1933, p. 139.

[10] Spruyt, Lof van het conservatisme, p. 126.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *