Waarom is Hobbes een moderne denker?

Recensie

De afgelopen 10 jaar is er elk jaar een bundel over een politiek filosoof verschenen onder redactie van Andreas Kinneging, Maarten Colette en Paul de Hert. In 2019 werd de bundel Thomas Hobbes, de ik-gerichtheid van de politieke filosofie, gepresenteerd. Deze bestaat uit 13 artikelen en is gewijd aan Thomas Hobbes (1588-1679). Hobbes is een Britse politiek filosoof die aan het begin staat van de moderne opvattingen over de mens en staat.

Materie in beweging

De bundel opent met een bijdrage van hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden, Andreas Kinneging. Hij zet eerst de metafysische basis van Hobbes’ politieke filosofie uiteen. In tegenstelling tot de Traditie van het klassieke denken (Plato en Aristoteles) en het christendom (Augustinus en Thomas van Aquino) stelt Hobbes dat de wereld slechts materie in beweging is. Deze beweging is bovenal gedetermineerd. We kunnen deze gedetermineerde wereld kennen en in kaart brengen via de zintuigen. Het verstand voegt de indrukken samen waardoor abstracte, algemene begrippen ontstaan. Deze abstracties bestaan volgens Hobbes niet in de werkelijkheid maar slechts in onze geest. Hobbes is dus een materialist, determinist, empiricist en nominalist. Hobbes poneert een volledig nieuwe metafysica en ontwikkelt op basis hiervan zijn politieke filosofie. Deze is vooral te vinden in Elements of Law (1640), De Cive (1647) en Leviathan (1651).

Natuurtoestand

Deze politieke filosofie poneert Hobbes te midden van religieuze oorlogen in Engeland en partijtwisten in de Katholieke Kerk, Anglicaanse kerk en protestantse denominaties. De eenheid van het middeleeuwse christendom is ten tijde van Hobbes verdwenen. Een van de essayisten in de bundel, rechtsfilosoof aan de EUR  Jean-Marc Pirect, schrijft in zijn essay De religieuze burgeroorlog als denkkader en de politieke neutralisering van godsdienst bij Thomas Hobbes: ‘Hobbes wilde de brandende lont uit het kruitvat van de religie verwijderen door de theocratische machtsaanspraken van de godsdienst lam te leggen onder een dwingende staatsmacht’.[1] Het sociaal contract is de basis van deze dwingende staatsmacht. Aan het sociaal contract gaat de zogenaamde natuurstaat vooraf.  In het beroemdste werk van Hobbes, de Leviathan (1651) omschrijft hij deze natuurstaat: ‘de natuur heeft alle mensen in gelijke mate met lichamelijke en geestelijke vermogens bedeeld (..) het verschil tussen mensen onderling is niet zo aanzienlijk dat iemand op grond daarvan enig voorrecht kan opeisen waarop een ander niet even goed aanspraak kan maken (..) In geestelijke vermogens zijn mensen nog meer aan elkaar gelijk dan in kracht’. Hoe komt het dan dat mensen toch vaak denken dat zij beter zijn dan anderen in intellectuele vermogens? Hobbes antwoordt:  ‘dat deze gelijkheid misschien niet algemeen aanvaard wordt, komt omdat bijna iedereen een ijdele voorstelling heeft van zijn eigen wijsheid.’[2]

Oorlog van allen tegen allen

Deze gelijkheid zorgt voor nieuwe problemen zoals jaloezie, afgunst en haat. ‘Twee mensen worden elkaars vijanden, als zij dezelfde zaak begeren waarvan zij niet beiden tegelijk kunnen genieten, en om hun doel te bereiken (lijfsbehoud) trachten ze elkaar te vernietigen of te onderwerpen. Er is dus oorlog van allen tegen allen. In een oorlog is er geen ruimte voor zaken als arbeid, landbouw, architectuur en beeldende kunst. Er is een voortdurende angst voor een gewelddadige dood. Zogezegd is het menselijk bestaan ‘eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort’.[3] Alleen door een macht die boven iedereen staat, de soeverein, kan er vrede zijn. ‘Waar geen gemeenschappelijke macht is, bestaat geen wet, en waar geen wet is, bestaat geen onrecht’. In een oorlogstoestand bestaat er dus geen wet en is er geen goed en kwaad. Deze soeverein moet twee dingen doen om aan deze oorlogstoestand een einde te maken. Hij moet natuurwetten afkondigen en zorgen dat mensen zoveel mogelijk begeerten kunnen vervullen.

Zelfbehoud en begeerten

Hobbes denkt dat angst het universele motief in de mens is dat boven alle andere verlangens uitstijgt. Om iets te kunnen begeren moet je in leven zijn. Vanuit deze grondgedachte is het mogelijk om andere begeertes te vervullen en geluk na te streven. Geluk bij Hobbes is dus het vervullen van zoveel mogelijk begeertes. De ene begeerte is niet beter dan de andere. Mensen zijn immers gelijk. Er bestaat geen objectieve normering van de passies. Dat is aan het individu om zelf te bepalen. Het essay van Hakan Külcü, De natuurlijke ordening van de ziel des mensen, gaat in op deze thematiek. ‘Wat mensen nastreven (desire) is voor hen goed (good/bonum) en waar zij een weerzin voor voelen is voor hen kwaad (evil/malum).’ In Boek VI, hoofdstuk 24 van de Leviathan schrijft Hobbes: ‘De woorden goed, kwaad hebben altijd betrekking op de persoon die ze gebruikt. Er is niets wat dit zonder meer en in absolute zin is’.[4] Zelfbehoud en het bevredigen van begeertes is dus waar het om gaat in het leven. Het nastreven van de deugd is onzin want de deugd bestaat niet. Het goede is voor iedereen anders.

Natuurwet

Dan past Hobbes de klassieke definitie van de natuurwet aan. De natuurwet bij Plato, Aristoteles is voorgegeven en heeft een absoluut karakter. Bij Augustinus en Thomas van Aquino is de natuurwet door God in de schepping geplaatst. Deze natuurwet kan gevonden worden door de menselijke rede en is de norm voor goed en kwaad. Hobbes stelt daarentegen dat de natuurwet ‘de vrijheid is die iedereen heeft om zijn eigen macht te gebruiken tot behoud van zijn eigen natuur, dus om alles te doen wat hij naar zijn eigen oordeel en rede als het meest geschikte middel beschouwt’. De belangrijkste natuurwet is dat iedereen naar vrede moet streven, zo lang hij de hoop heeft dat zij bereikt kan worden, en dat hij, als ze onbereikbaar is, alle middelen en voordelen van de oorlog mag opzoeken en gebruiken. De natuurwetten zijn in strijd met onze natuurlijke hartstochten die ons aanzetten tot partijdigheid, hoogmoed en wraakzucht. Alleen een macht die groot genoeg is om onze veiligheid te verzekeren kan ons deze natuurwetten opleggen. Het overdragen van een recht noemen we het sluiten van een contract of verdrag.

Hobbes als moderne denker

Waarom staat Hobbes aan de basis van de moderniteit? Hobbes stelt voor het eerst dat de werkelijkheid slechts bestaat uit materie in beweging die gedetermineerd is. Hobbes breekt met de Traditie van de klassieke oudheid en het christendom waarin altijd een immateriële werkelijkheid wordt onderscheiden. Daarnaast breekt hij met een hiërarchische indeling van de werkelijkheid zoals Aristoteles voor zich zag. Mensen zijn radicaal gelijk. Een derde breuk met de Traditie vindt plaats doordat Hobbes de mens ziet als een asociaal wezen dat zijn eigenbelang voorop stelt en zoveel mogelijk materiële begeerten wil vervullen. Goed is niet langer objectief bepaald en te bereiken via de deugd maar goed is wat je zelf fijn vindt. Slecht is wat pijn doet voor jou. Een laatste breuk is de manier waarop Hobbes het gezag van de overheid bepaalt. Dit komt niet voort uit God of een natuurlijke orde maar wordt overgedragen middels een contract van het volk aan de soeverein, de Leviathan.

Om onze tijd te begrijpen is het dus van belang om nader kennis te nemen van de ideeën die Hobbes poneert. De verschillende aspecten van Hobbes’ werk en tijd zijn mooi  samengebracht in verschillende essays in deze bundel. Aangezien het boek een bundeling van essays is, is het niet noodzakelijk om alle essays achter elkaar te lezen. Voor (politiek) filosofen, juristen en politicologen is dit een absolute aanrader.


[1] Jean-Marc Pirect, De religieuze burgeroorlog als denkkader en de politieke neutralisering van godsdienst bij Thomas Hobbes in Andreas Kinneging, Maarten Colette En Paul De Hert (Red.) Thomas Hobbes, de ik-gerichtheid van de politieke filosofie, Eindhoven: Damon, 2019, pp. 27-64.

[2] Hobbes, Leviathan, I.13.

[3] Idem.

[4] Hobbes, Leviathan, VI.24.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *