Politie en Europa

Opinie

Van 29 tot en met 30 maart vond het vormingsweekend van het CDJA weer plaats. Het immer goed georganiseerde weekend stond dit jaar in het teken van de rechtsstaat. Daarbij werd een en ander ook vanuit Europees perspectief belicht. Zo verzorgde de heer P.H. Donner een lezing over Europa en de rechtsstaat (zie daarvoor ook een ander artikel in deze Interruptie). Ook de rechtshandhaving kwam aan bod. Roeland Storm, verbonden aan de nationale politie en CDA-raadslid in Leiden, verzorgde een lezing over de rechtsstaat en handhaving. Roeland heeft ons tijdens deze lezing onder meer  geattendeerd op de successen en uitdagingen op het gebied van internationale politiesamenwerking. Ook de politie krijgt namelijk in toenemende mate te maken met Europa. Criminelen zijn niet gebonden aan grenzen en dus moet ook de nationale politie mee in de vaart der volkeren en is steeds meer internationale samenwerking met buitenlandse politiekorpsen vereist. In het hiernavolgende zal worden ingegaan op de kansen en problemen op het gebied van internationale samenwerking. 

Een belangrijk wapenfeit van de nationale politie in de strijd tegen criminaliteit in het internationale spectrum is het Verdrag van Prüm. Dit verdrag is op 27 mei 2005 in de Duitse stad Prüm ondertekend.

Het regelt de uitwisseling van informatie voor opsporingsdoeleinden alsmede de internationale politiesamenwerking. Zo maakt het verdrag het mogelijk sneller te reageren op noodsituaties.  Ook voor wat betreft de gegevensuitwisseling heeft het verdrag, aldus De Kinder, veel goed gedaan:

“Zo betekende voor België de recente start van de uitwisselingen van de DNA-gegevens met Frankrijk, de identificatie van maar liefst 1626 DNA-sporen die op een Belgische plaats delict opgenomen werden. Hieronder bevonden zich 38 DNA-sporen afkomstig van moorden en 45 van zedenzaken. In al deze gevallen werd er een verband bekomen tussen een spoor op een plaats delict en een persoon die in Frankrijk al veroordeeld werd voor criminele feiten, wat leidde tot een opname in de Franse DNA-databank.”

Maar ook wat betreft gedragsanalyses biedt de informatie die vrij komt dankzij het verdrag veel aanknopingspunten. “Zo bevat zij zeer interessante informatie over de structuur en de werking van criminele netwerken.” Internationale politiesamenwerking biedt dus veel mogelijkheden voor de opsporing van verdachten. Vaak genoeg blijkt echter dat er onvoldoende van deze mogelijkheden gebruik gemaakt wordt.

Toch is er nog veel te winnen. De criminaliteit in de grensgebieden neemt telkenmale toe. Tot dusver zijn veel politiekorpsen nog onvoldoende in staat geweest over hun eigen schaduw heen te stappen en gezamenlijke prioriteiten te stellen.  Op dit punt lijkt ook een rol voor Europese diensten weggelegd. Europol en Frontex ondersteunen de lidstaten bij de bestrijding van criminaliteit respectievelijk de grensbewaking.

Er is steeds meer politiek debat over de vraag of Europa meer invloed moet krijgen. Het is mijns inziens echter nog maar de vraag in hoeverre verregaande samenwerking tussen politiediensten succesvol mogelijk is. Internationale afspraken blijken in de praktijk niet altijd werkbaar of zijn onvolledig door de verschillende nationale implementatie van regelgeving. Ook samenwerking via zogenaamde Joint-Investigation Teams (JIT), onderzoeksteams van samenwerkende politiediensten, zijn vaak nog onvoldoende succesvol. In een rapport over internationale politiesamenwerking wordt geconstateerd dat “de verschillende agenda’s van de deelnemers, het ontbreken van een duidelijk gezamenlijk doel, en de slechte onderlinge verhoudingen de samenwerking via een JIT bij de bestrijding van internationale vrouwenhandel bemoeilijkte. De Joint Investigation Teams zijn ontworpen vanuit de gedachte dat dit een effectieve manier is om criminaliteitsproblemen internationaal aan te pakken. De samenwerking blijkt in de praktijk echter vaak traag, en bureaucratisch. Franse politiediensten zijn bijvoorbeeld in vele mate hiërarchischer dan de Nederlandse politiediensten. Van Nederlandse politieambtenaren wordt, meer dan de Franse politiediensten, gevraagd dat zij discussiëren met burgers.

Internationale samenwerking van politiediensten heeft, kortom, veel potentie. Er is een aantal punten waarop Europese politiediensten succesvol samenwerken.  Discussies over soevereiniteit bemoeilijken de internationale politiesamenwerking. Ten slotte kunnen ook cultuurverschillen de internationale samenwerking bemoeilijken. Rechtshandhaving roept niet alleen vragen op over rechtsstaat en democratie. Bezien vanuit Europees perspectief is er ook meer samenwerking mogelijk. Het is de vraag in hoeverre dat gewenst en mogelijk is. 

Bronnen:

Lammers, M. (2013). Catch me if you can. Using DNA traces to study the influence of offending behavior on the probability of arrest (diss. NSCR), 125 p., ISBN 9789462283381.