‘Ik vind dat Europa een VAR nodig heeft’

Interview

Robert de Wit is 29 jaar oud, communicatiespecialist en CDA-Statenlid in Groningen. Donderdag is hij verkiesbaar voor het Europees Parlement, als nummer 10 op de CDA-lijst. ‘Het wordt ook tijd dat je wat jongere mensen hebt die een frisse blik hebben.’

‘De afgelopen vier jaar ben ik Statenlid geweest in de provincie Groningen. Ik heb daar veel contact gehad met de noordelijke provincies, ook veel in Europees verband. Ik ben lid geworden van de G200 en daarna ook in 2018 voorzitter geweest van de G200 in Dubai. Daar zag ik dat er ontzettend veel kansen liggen voor Noord-Nederland en voor jongeren in Europa. We krijgen meestal heel negatieve geluiden over wat er gebeurt vanuit Brussel. Maar er liggen ook heel veel kansen, niet alleen met Europa als geldpot, maar ook als samenwerkingsverband met andere landen. Dat was voor mij de reden om mijn expertise in te willen zetten in Europa.’

Je bent de afgelopen 4 jaar statenlid geweest en je bent nu weer verkozen. Wat heb je de afgelopen 4 jaar voor jongeren gedaan in de Provinciale Staten?

‘Ik ben de afgelopen vier jaar heel intensief bezig geweest met jongerenparticipatie. Ook om te kijken hoe jongeren zelf betrokken willen worden bij de politiek. Dus in plaats van dat we op het provinciehuis uitvinden hoe je met jongeren om moet gaan, hebben wij juist gevraagd: wat willen jongeren zelf? Dat kan per thema heel verschillend zijn. Als je kijkt naar ov-knelpunten hebben we jongeren online actief gevraagd wat ze nou echt belangrijk vinden. Qua duurzaamheidsmaatregelen hebben we energiechallenges gepromoot, waarbij jongeren zelf op school aan de slag gaan met duurzame vormen van energie. Dat is ontzettend interessant.’

‘Wat ik daarnaast belangrijk vind, naast het feit dat ik zelf veel naar scholen ga, om jongeren ook uit te nodigen op het provinciehuis. Niet alleen om te laten zien wat ik doe, maar ook om de dialoog aan te gaan over wat ze graag willen weten en wat ze graag willen bijdragen. Dit is voor het Europees parlement eigenlijk net zo. Twee maanden geleden was ik in Brussel, waar een groep jonge agrariërs op visite kwam bij het Europees Parlement. Die brengen zo ontzettend veel expertise mee. We moeten als overheid niet denken dat we alle wijsheid in pacht hebben, maar juist ook luisteren. Om ook die nieuwe generatie een stem te geven in Europa.’

‘Ik ben de afgelopen vier jaar heel intensief bezig geweest met jongerenparticipatie’

Wat is op Europees niveau nou echt een jongerenprobleem?

‘Ik houd er niet van om over problemen te praten, ik praat liever over kansen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de Erasmus beurzen, Erasmus plus, waarmee kunnen studeren in het buitenland en ervaring kunnen opdoen met zowel hun studie als met een andere cultuur. Die zijn er al wel op universitair niveau, ook wel steeds meer op HBO niveau, maar op het MBO hebben ze daar de kans niet voor.. Stel je voor dat je een MBO opleiding in Nederland in de grensstreek doet, waarom zou je dan omdat je MBO doet geen gebruik kunnen maken van een Erasmus beurs? Wat mij betreft ligt daar echt een kans, om jongeren ook over de grens ervaring op te laten doen. Hetzelfde geldt voor de Europese studenten die hier in Nederland studeren en kennis delen. Het mooie is dat wij studenten in het buitenland hebben die bij terugkeer ook weer kennis meenemen. Daar heeft onze economie ook gigantisch veel aan.’

Heb je zelf gebruik gemaakt van zo’n beurs?

‘Nee, ik heb zelf niet gebruik gemaakt van zo’n beurs. Ik heb wel een keer voor mijn opleiding een opdracht mogen doen voor Brussel. Ik heb politieke overheidscommunicatie gestudeerd en ik mocht daar uitzoeken op welke manier lidstaten op een betere manier geïnformeerd kunnen worden over wat er gebeurt binnen Europa, dus veel meer doelgerichte communicatie. Mijn belangrijkste conclusie was daar wel dat je niet iedereen alles moet willen vertellen, maar dat je informatie heel erg toe moet spitsen op wat voor die doelgroep relevant is. Dat je nieuws over mobiliteit of agrariërs in een vakblad zet en in regionale media de dingen plaatst die voor die regio interessant zijn.’

Wat is je verdere ervaring in Europa?

‘Zoals ik al zei ben ik afgelopen jaar voorzitter geweest van de G200. Daarbij komen jonge parlementariërs, excellente studenten en professoren van over de hele wereld bij elkaar om over elk thema te spreken dat ze op tafel willen hebben. Het eerste jaar heb ik daar gesproken over immigratie en het bijzondere daarbij is dat alle landen waarover je spreekt ook aanwezig zijn. Een excellente studente uit Taiwan die hierin gespecialiseerd was, een docent uit Spanje en een professor uit Syrië. Dus daar heb ik ontzettend veel geleerd. Wat hoor je, wat betekent het concreet en hoe bedenk je hier op een goede manier een oplossing voor? In Dubai was ik voorzitter van de parlementariërscommissie, waarbij ik ook al die stukken heb mogen voorbespreken met parlementariërs. Daar heb ik gewoon ontzettend veel ervaring mee opgedaan.’

Wat voor doel zie jij voor jezelf en de CDA-fractie als je in het Europees Parlement komt?

‘Ik denk dat het CDA en de christendemocratie op dit moment de belangrijkste rol vervult die je maar kan vervullen. Je ziet op links en rechts steeds meer populistische partijen ontstaan. Er wordt steeds meer geschreeuwd vanaf de zijlijn en het CDA werkt vanuit de verbinding. Wij vinden het belangrijk om partijen om tafel te zetten en om daarmee in gesprek te gaan. Om even in voetbaltermen te spreken: ik vind dat Europa een VAR nodig heeft die kritisch kijkt wanneer er beslissingen worden genomen. Die ruimte geeft wanneer het goed gaat en op het moment dat er ingegrepen wordt op zijn strepen staat en op een goede manier uitlegt waarom ze beslissingen nemen.’

Kan jij dit samen met het CDA veranderen, aangezien het CDA niet heel groot is in het Europees Parlement?

‘Nee, het CDA is zeker niet groot, maar het CDA heeft wel veel invloed. Het CDA is deel van de Europese Volkspartij, de grootste partij in het Europese parlement. Dit maakt het makkelijker om met collega’s uit andere landen goed de discussie aan te gaan en ook in gesprek te gaan over welke oplossingen denkbaar zijn. Dat is geven en nemen. Nederland is een polderland. Het is juist belangrijk om de dialoog aan te blijven gaan en op die manier dingen voor elkaar weten te krijgen. Doordat ik ervaring heb met verschillende culturen maakt dat die dialoog in Europa makkelijker, ook omdat ik in Noord-Nederland woon, vier jaar Statenlid ben geweest en veel contact heb gehad met collega’s in Friesland en Drenthe. Dat vind ik ook wel belangrijk om te noemen. Mocht ik in het Europees Parlement komen dan zal ik daar blijven wonen. Natuurlijk zal ik voor commissies soms daar een paar dagen blijven, maar ik wil gewoon mijn woning in Groningen behouden. Want ik vind dat als je jezelf neerzet als Groningse kandidaat, dat je ook de komende 5 jaar hier moet zijn.’

Hoe wil je je specifiek voor het CDJA inzetten?

‘Ik ben in het verleden actief geweest bij CDJA Groningen als bestuurslid communicatie. Later werd ik voorzitter van de promotiecommissie, waar ik veel contact met de werkgroepen en het DB had en alle punten die er waren meekreeg. Ik vind het vooral belangrijk dat je jongeren betrekt met wat je doet en ook informatie uit hen haalt. Ik heb dat de afgelopen vier jaar heel erg gedaan met onze eigen CDJA-afdeling in Groningen, met welke thema’s zij belangrijk vinden en hoe je daar vorm aan kan geven. Ik wil dit ook doen in het Europees parlement. Ik wil niet alleen vertellen hoe we het doen, maar ik wil ook weten wat jongeren belangrijk vinden. Als er één ding is waardoor Europa ver van mensen afstaat, is dat dat je niet altijd goede prioriteiten legt. Wat vinden onze mensen belangrijk, daar gaat het om.’

‘Ik heb ontzettend veel geleerd bij het CDJA en ik vind het belangrijk dat jongeren ook een stem krijgen in Europa. Het zijn heel veel grijze muizen in het Europees parlement, mensen die vanuit de nationale parlementen komen en doorgeschoven worden naar Brussel. Het wordt ook tijd dat je wat jongere mensen hebt die een frisse blik hebben. Die de verbinding zoeken met anderen en ook wel stevig hun stempel durven te drukken, maar met mijn ervaring als scheidsrechter ben ik daar niet zo bang voor.’