Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa als gave en opgave

Essay

“Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”. Als het aan de Tweede Kamer ligt, wordt deze zinsnede zo snel mogelijk uit de Europese verdragen geschrapt. In de media werd dit vooral als symboolpolitiek gezien, omdat er voorlopig geen verdragswijziging komt. Ook minister-president Rutte benadrukte dat deze woorden geen juridisch, maar slechts een symbolisch karakter hebben. Dat óók de CDA-fractie klakkeloos met deze motie instemde was dan ook vooral een symbolische daad, maar wel een van grote betekenis! Het belang van deze formulering schuilt bij uitstek in haar symbolische betekenis. Dat het parlement uitdrukkelijk afstand van deze woorden neemt, is daarom op zijn best een teken van gebrek aan historisch besef – en op zijn slechts een gebrek aan ethisch bewustzijn ten opzichte van de opgave die in deze zinsnede besloten ligt. 

Der Verderb der Sprache ist der Verderb des Menschen”, “het bederf van de taal, is het bederf van de mensen”, zo schrijft Dolf Sternberger in hetWörterbuch des Unmenschen(1946). In dit woordenboek van de ‘onmensen’ probeerde hij de nationaalsocialistische nalatenschap uit de Duitse taal te bannen. Sternberger besefte als geen ander dat politiek bestaat uit de kunst van het spreken en de macht van het woord. Aristoteles schreef al dat het spraakvermogen de mens onderscheidt van het dier (al zijn niet alle biologen het daarmee eens). Hij zag in spraak de voorwaarde tot politiek, dat wil zeggen tot  gemeenschappelijk handelen. Niet voor niets zei God, toen hij zag dat de inwoners van Babel probeerden een hemelhoge toren te bouwen: “laten wij naar hen toegaan en spraakverwarring onder hen teweeg brengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.” (Gen. 11: 1-9). Op deze manier strafte hij de mensen voor hun hoogmoed en verspreidde hen over de wereld. 

Een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa. An ever closer Union Einer immer engeren Union der Völker Europas. Une union sans cesse plus étroite entre les peuples de l’Europe. Deze woorden zijn niet betekenisloos, maar staan symbool voor de historische grondslag van het Europese project. Zij spreken de hoop uit dat wij gemaakte fouten uit het verleden in de toekomst niet zullen herhalen. 

Recent had ik het genoegen om enkele edities van het Duitse tijdschrift Die Wandlungte lezen – het eerste Duitstalige tijdschrift dat na afloop van de Tweede Wereldoorlog van de geallieerde bezettingsmacht mocht worden uitgegeven. Het  tijdschrift voorzag de overgebleven Duitse intelligentsia van een podium om de oorlogsjaren onder woorden te brengen en op zoek te gaan naar een nieuwe manier om over de toekomst te spreken (ook Sternberger publiceerde hierin zijn woordenboek). De grote filosoof Karl Jaspers opende de eerste editie met de veelbetekenende woorden: “wir haben fast alles verloren.”

Bijna alles was verloren gegaan – behalve het vermogen om met elkaar in gesprek te gaan, te discussiëren en te debatteren om zo een nieuwe gemeenschappelijke taal te ontwikkelen. In de verschillende jaargangen van Die Wandlungkomt ook de toekomst van Duitsland op het Europese continent ter sprake. Deze toekomst was nauw verbonden met twee begrippen: Friedenssicherung en die Ruhrfrage– en zonder de laatste te beantwoorden, zou van de eerste geen sprake kunnen zijn. Het Ruhrgebied, gelegen in Noord-Rijn Westfalen, is een regio rijk aan grondstoffen en industrie en droeg daarom in belangrijke mate bij aan Hitlers oorlogsinspanningen. Het was voor de geallieerde bezettingsmachten dan ook klip en klaar dat dit gebied niet zomaar onder Duits gezag gebracht kon worden. Tegelijkertijd vormde het Franse idee om het Ruhrgebied simpelweg van Duitsland af te snijden en onder internationaal gezag te stellen geen oplossing: dit recept was na afloop van de Eerste Wereldoorlog reeds beproefd en had tot grote wrok onder de Duitse bevolking geleid. 

De Duitse intellectuelen die in Die Wandlung schrevenwaren overtuigd van de noodzaak om een oplossing voor het Ruhrgebied te vinden, omdat anders de Friedenssicherung, een duurzame vrede, niet mogelijk zou zijn. Zo schreef een van hen in een bijdrage uit 1947 dat het voor de toekomst van het Europese continent noodzakelijk was dat de nationale staten “ihre großen schwerindustriellen Komplexe unter gegenseitige internationale Kontrolle gestellt haben.” Alleen door de zware industrie van de nationale staten onder wederzijdse controle te plaatsen, zou de Ruhrfragebeantwoord en de friedenssicheringbewerkstelligd kunnen worden. 

En zo geschiedde, onder aanvoering van de Fransman Robert Schuman werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. Deze gemeenschap had, zoals Schuman zelf zei, als doel “om een oorlog tussen Frankrijk en Duitsland niet alleen ondenkbaar, maar ook feitelijk gezien onmogelijk te maken.” Hij bewerkstelligde dit door de productie van Kolen en Staal onder het gezag van een gemeenschappelijke autoriteit te plaatsen. Het succes van deze aanpak laat zich raden, is er iemand die vandaag de dag een oorlog tussen Frankrijk of Duitsland, of op het Europese continent überhaupt, voor mogelijk houdt? 

De Gemeenschap voor Kolen en Staal opende de weg voor een duurzame vrede in Europa, een vrede die werd ingeluid door het Verdrag van Rome (1957). Hiermee werd de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht en dit markeert de eerste etappe van een “steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren”. Hierin ligt de blijvende gave van het Europese project. Overigens zijn de Europese verdragen niet alleen de concrete uitwerking van het Europese vredesproject – ook het idee van vrede door middel van een verdrag is bij uitstek een Europese aangelegenheid: “pax, pace, paz, paixzijn afgeleid van het Latijnse werkwoord paciscor: een verdrag sluiten. Vrede is de door een verdrag beëindigde oorlog.” (Hans Nieuwenhuis, Een steeds hechter verbond, p. 20.)

Steeds vaker wordt gezegd dat de oorlog al zo lang voorbij is en het vredesideaal daarom niet langer de grondslag van het Europese project kan vormen, laat staan verdere integratie kan rechtvaardigen. Een dergelijke stelling miskent echter het verloop van de recente Europese geschiedenis. Zo leefden de ouders van onze Spaanse, Portugese en Griekse leeftijdsgenoten in de dictaturen van Franco, Salazar en onder de militaire junta van Papadopoulus. Voor onze Oost-Europese medeburgers is de vrede, in de zin van politieke vrijheid, nog geen 20 jaar oud (bovendien staat zij in diverse Oost-Europese lidstaten opnieuw onder druk). Ook zien velen jongeren in de Balkan de EU nog altijd als de bakermat van de vrede. De Europese Unie als vredesproject is dus niet achterhaald – de gave van de vrede is een blijvende opgave. 

Daarnaast dient de zinsnede “een steeds hechter verbond van Europese volkeren” ook niet begrepen te worden als een aansporing tot het opheffen van de nationale staten. Dat zij wel als zodanig begrepen wordt, is een pijnlijke en noodlottige consequentie van het feit dat er nog bijna uitsluitend in statelijke termen over de EU gedacht wordt. Onze volksvertegenwoordigers maken zo dus dezelfde misstap als David Cameron, die in aanloop naar het Brexit-referendum eiste dat het Verenigd Koninkrijk zou worden vrijgesteld van de verplichting om naar een “steeds hechter verbond” te streven. Zo hoopte hij zijn tegenstanders, die in het Europese project een heimelijk streven naar een Europese superstaat ontwaren, definitief de mond te snoeren. Door deze absurde eis (die de andere lidstaten bizar genoeg accepteerden!) liet Cameron de eurosceptici de toon van het debat bepalen – hij volgde immers het framedat deze zin symbool staat voor het streven naar een superstaat.  De gevolgen kennen we allemaal en alleen al daarom hadden onze volksvertegenwoordigers zich nogmaals achter de oren mogen krabben. 

“Een steeds hechter verbond” dient niet in een staatsrechtelijke zin te worden opgevat, maar als een verband en verbinding tussen volkeren. Zo stelt Hans Nieuwenhuis dat het begrip verbond “geen vastomlijnde betekenis” heeft, maar juist “een Bijbelse klank”. Hij verwijst daarbij naar Genesis 9:8-9: “God sprak tot Noach en zijn zonen: hierbij sluit ik een verbond met jullie en je nakomelingen.” De EU schept de randvoorwaarden om dergelijke verbonden te sluiten: “het is de uitwisselingvan goederen, diensten en ideeën die een band schept.” Kortom, het gaat niet om de verhoudingen tussen instituties en staten, maar om verbanden en verbindingen tussen mensen en volkeren. “Een steeds hechter verbond” heeft dus niet zozeer een politieke betekenis, maar geeft uitdrukking aan eenethische opgave die ons allemaal aangaat. 

Dat deze opgave in het huidige debat niet tot uitdrukking komt, is een uiting van grote intellectuele armoede. Deze armoede blijkt vooral uit het feit dat het debat uitsluitend gevoerd wordt in de termen ‘meer Europa!’ of ‘minder Europa!’ Bovendien hebben de nationalistische en de progressief-liberale krachten dit debat gekaapt: de jonge idealisten van Volten de renaissance partij van Macron staan tegenover de socialistische middelvinger en de Renaissance vloot van Baudet. Deze tegenstelling laat zich ook duiden als  het Europa van de Verlichting, de universele rede en mensenrechten tegenover het Europa van de romantiek, de natiestaat en “eigen land eerst. Een christendemocratisch geluid is echter nergens te horen. 

De CDA-fractie had zo’n geluid kunnen maken door erop te wijzen dat deze tegenstelling kortzichtig is, want zij veronderstelt dat de keuze zich beperkt tot de natiestaat óf de EU. De stichters van het Europese project hadden nooit als doel om de natiestaten op te heffen en te vervangen door een Europese natiestaat (dat wil zeggen één Europees volk in één Europese superstaat). Dat zou betekenen dat we geen enkele les uit het verloop van de twintigste eeuw getrokken hebben! 

Het Europese project is juist gebaseerd op de overtuiging dat meerdere identiteiten naast elkaar kunnen bestaan. “Patriotismus ist Voraussetzung des Weltbürgertums”, zo schreef de Duits-Britse socioloog Ralf Dahrendorf. “Patriotisme is een voorwaarde voor kosmopolitisme”, en hij vervolgde, “in ieder geval geldt dat mensen ergens bij moeten horen, voordat zij voorbij hun eigen horizon kunnen kijken.” Het idee dat wij van de EU moeten houden, haar als ons vaderland moeten beschouwen en onze nationale identiteit moeten afschudden, is dus op zijn zachtst gezegd misplaatst. Dat geldt trouwens ook voor de onzalige gedachte dat het Europese project onze nationale eigenheid bedreigt.   

Wij hoeven niet van de EU te houden, maar we dienen haar wel op waarde te schatten en als een kostbaar gegeven te beschouwen. Het is daarom te gemakkelijk om Europa als een superstaat te presenteren. Scheidend fractievoorzitter Buma droeg daar ook aan bij toen hij in 2013 met veel bombarie stelde dat Brussel teveel macht heeft. Hij presenteerde vervolgens de zogenaamde ‘buma-lijst’met onderwerpen waarover Den Haag weer zeggenschap moest krijgen. Wie leest met welke onbeduidende bevoegdheden Buma voor de dag kwam (onder andere de nitraatrichtlijn, de bodemrichtlijn en cookiewetgeving), kan alleen maar concluderen dat het met de bevoegdheidsverdeling wel goed zit. Het is dan ook geen wonder dat er sindsdien nooit meer iets van deze buma-lijst vernomen is, en dit voorbeeld is dan ook een treffende van de opportunistische Europa-koers van het CDA. 

Inmiddels klinkt er binnen het CDA een ander, inhoudelijker en waarachtiger geluid. Wopke Hoekstra en de auteurs van het rapport ‘vertrouwen in verandering’laten zien dat zij de Europese gedachte wél begrepen hebben. In plaats van de boze burger te paaien met een opportunistisch-nationalistisch koers, dient de christendemocratie te benadrukken dat het supranationale en het nationale, eenheid en veelheid, naast elkaar bestaan. Het unieke, sui-generiskarakter van het Europese project bestaat uit de vereniging van een veelvoud aan Europese volkeren in een politieke gemeenschap. De Unie is dus minder dan een eenheidsstaat, meer dan een los samenwerkingsverband van soevereine staten – kortom, in varietate concordia(verenigd in verscheidenheid). 

Joseph Weiler, een groot denker over Europese integratie, verwoordt het als volgt: het Europese project is “een ander type van politieke gemeenschap, waarvan het voornaamste kenmerk juist de bereidheid is om een bindende orde te aanvaarden die afkomstig van en voorkomt uit een gemeenschap van anderen.” (Een Christelijk Europa, p. 78). De Unie stelt ons, Nederlanders (of Duitsers, Polen, Grieken etc.) in staat om ons tot een ander, onze mede-Europeaan, te verhouden op een manier die gespeend is van “de arrogantie van het collectieve zelf”, maar met behoud van culturele, sociale en taalkundige eigenaardigheden. In andere woorden, het ‘Europa van de naties’, waar de nationalisten zo naar smachten, bestaat allang. 

Voor de christendemocratie ligt er dus een taak om tegenwicht te bieden aan zowel de roep om Europese verstatelijking als een nostalgisch terugverlangen naar de natiestaat. Is dat niet precies de opgave die in ‘een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren’ besloten ligt?