Nieuws
sep 05

Hannie van Leeuwen-lezing 2021 door Chris van Dam

Niet laf, maar met lef.

Pleidooi voor het bij de tijd brengen van ons christendemocratisch fundament.

‘Beste leden van het CDJA, beste kijkers en luisteraars via de live-stream, nu en op een later moment. Het is een eer en een genoegen om deze vierde Hannie van Leeuwen-lezing uit te mogen spreken. Het CDJA-bestuur heeft mij gevraagd in deze lezing aandacht te besteden aan de C van het CDA. Dit naar aanleiding van een resolutie waarin – “vanuit een breed gedragen wens” – “de behoefte bestaat om met elkaar in discussie te gaan over de koers en de naamgeving van het CDJA”.

Niet alleen in de samenleving is het christelijk geloof een minder vanzelfsprekende rol gaan spelen, ook binnen het CDA is dat het geval. Anders dan de generatie van Hannie van Leeuwen vinden veel CDA’ers het lastig om onder woorden te brengen wat het christelijke in onze politiek zou moeten zijn. Zou het niet helpen, zeker als we een brede, grote volkspartij willen zijn, dat wat lastige onderdeel in te ruilen voor iets wat minder lastig uit te leggen is.

Laat ik maar meteen mijn visitekaartje afgeven. Ik ben een protestantse jongen. Dat is de traditie en de taal waarin ik ben opgegroeid. Voor mij geen CDA zonder de C van de christendemocratie. Voor mij is het mensbeeld dat uit de Bijbel spreekt de batterij waar ik op functioneer. De ene keer meer, de andere keer minder. Alle verhalen, de traditie waar we uit voortkomen, het centrale gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Ze zijn voor mij richtinggevend en vooral ook inspirerend in mijn politieke handelen. Juist de christendemocratische C maakt het CDA voor mij waardevol.

En tegelijkertijd begrijp ik de vraag, de discussie over de C volledig. Mijn oplossing is niet om de C weg te redeneren maar juist onze uitgangspunten opnieuw in handen te nemen. 30 jaar geleden, in 1993, is voor het laatst ons program van uitgangspunten vastgesteld. De wereld is veranderd, ons verhaal rond de C niet. Geen wonder dat we het moeilijk vinden om in deze tijd de juiste woorden en uitleg te vinden. Niet herbronnen, alsjeblieft niet. Wel actualiseren.

Voordat ik de inhoud in duik: ik besef dat deze lezing wordt gehouden een week voor het congres, op 11 september. Het is mij opgevallen dat velen zich afvragen of ik iets ga zeggen over de actuele situatie binnen het CDA. Nee en ja.

Nee, want ik heb vertrouwen in het congres dat volgende week plaatsvindt. Wel één kleine waarschuwing, met dank aan de voorzitter van ons theologenberaad: in het Oude Testament (in Leviticus) staat beschreven dat op Grote Verzoendag de hogepriester een ram en twee geitenbokken nam om te offeren. Op de kop van één van die geitenbokken legde de priester zijn handen en daarmee belaadde hij die bok met de zonden van het volk. Daarna werd die zondebok losgelaten en de woestijn in gestuurd. Om verscheurd te worden. Ik hoop dat wij in dat opzicht de Bijbel niet te letterlijk nemen, volgende week op ònze Grote Verzoendag.

En tegelijkertijd zeg ik wel degelijk iets over de actualiteit in onze partij. Ik vind al langer dat we te weinig ons eigen christendemocratische verhaal vertellen. Dat we te veel onze oren laten hangen naar groepen waarvan we denken dat ze in onze politiek geïnteresseerd zijn. Terwijl sommige mensen die werkelijk een hart hebben voor de christendemocratie weggelopen zijn.

Wij CDA’ers zijn een hardleers volk. Wij zijn één van de weinige politieke partijen in dit land met een al jaren gerijpt politiek fundament, maar de werkelijke toewijding daaraan gaan we uit de weg.

Dat dit levensgevaarlijk is, blijkt wel uit het rapport dat is opgesteld door de ‘Adviescommissie integriteit CDA Limburg’, uitgekomen vlak voor de zomer. Ik citeer: “Veel burgers, maar ook CDA– leden, lijken niet meer te weten en te voelen waar het CDA voor staat. Wat is de identiteit van het CDA? Wat zijn de kernwaarden?” En verderop: “Integriteit is geen ‘los ding’. Integriteit heeft te maken met geloofwaardigheid en waarachtigheid. Een integer politicus laat in zijn of haar handelen zien voor welke waarden zijn of haar partij opkomt. Gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap bepalen de context van de waarden waarbinnen een CDA’er handelt. Als binnen deze context denken, praten en doen de scherpte en onderlinge samenhang verdwijnen, is het nodig om aan de bel te trekken.”

Het rapport van deze commissie heeft de naam ‘Integriteit door identiteit. Doen waar je voor staat’. Als je niet weet waar je werkelijk voor staat, dan kan het slecht aflopen, ook met het landelijke CDA. Ook dat staat op 11 september op de agenda van ons congres. Expliciet of impliciet. Ik verwacht van onze partijleider en onze partijleiding een expliciet christendemocratisch geluid, een verbindende opstelling binnen en buiten onze partij. Doen waar we voor staan.

Beste mensen. In de politiek gaat het om lastige vragen en problemen. Barack Obama zei ooit dat eenvoudige vragen zijn bureau nooit bereikten, die hadden anderen al opgelost. En zo is het. Ik heb zelf als Kamerlid ook geworsteld en moeten kiezen tussen beroerd en nog beroerder. Bijvoorbeeld rond het kinderpardon. Waar ik als lid van een kerkelijke gemeente zag hoe er 24-uurs kerkdiensten werden georganiseerd om een gezin in Nederland te houden. En tegelijk onderdeel was van een fractie die tegen uitbreiding van het kinderpardon was. En nu nog: de jonge – Nederlandse – kinderen van IS-vrouwen die zich in kampen in Syrië bevinden. Kun je die kinderen de misstap van hun moeders verwijten? Politiek wordt bedreven in een weerbarstige werkelijkheid. Het gaat dag in dag uit over moeilijke vragen die mensen direct raken. Niet alleen in hun portemonnee, ook in hun overtuigingen.

Eén van de lijfspreuken Van Arie Oostlander, jarenlang directeur van ons Wetenschappelijk Instituut was dat er “niets zo praktisch is als een goede filosofie”. Je hebt als politicus een fundament nodig om vanuit te redeneren. Wij christendemocraten hebben een fantastisch fundament, altijd al gehad. En zo’n fundament helpt om koers te houden. Dat fundament is niet in beton gegoten, het heeft zich in de loop van de tijd ontwikkeld.

De eerste periode waarin zich dat ontwikkelde was de tijd van de emancipatie van achtergestelde bevolkingsgroepen, van de strijd tegen de sociale misstanden als gevolg van het ongebreideld kapitalisme. Ik denk dan aan de periode van eind 19e eeuw tot aan de 2e Wereldoorlog. In 1891 publiceerde paus Leo XIII (de 13e) de encycliek Rerum Novarum, tegen het ongeremde kapitalisme en socialisme in. Deze encycliek – zoals zo veel encyclieken, tot op de dag van vandaag – stond bol van rechtvaardigheid en solidariteit en heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de maatschappelijke en politieke emancipatie van het Katholieke volksdeel.

Aan die periode is op het Protestantse erf onlosmakelijk de naam van Abraham Kuyper verbonden. Vandaag, hier in deze kerk, kunnen we niet om hem heen. De emancipatie van de kleine luyden, de oprichting van de Anti Revolutionaire Partij, de doleantie. Te veel om op te noemen. Kuyper heeft hier ook gepreekt en als hij sprak dan duurde dat gemiddeld 2 uren. Uit het hoofd, zonder geluidsversterking. Vreest niet, ik ben Kuyper niet.

De tweede periode betrof de wederopbouw, na de 2e Wereldoorlog. Nederland ontwikkelde zich tot een verzorgingsstaat. Dit was de periode waarin Hannie van Leeuwen tot bloei kwam. Afkomstig uit het protestants-christelijke milieu vol met waarheden en zekerheden. Als 16-jarige in de oorlog in het verzet met de neus op de feiten gedrukt. In 1977 zei Hannie daarover in NRC: “Ik ben in hart en nieren een product van het AR-milieu: als ik me iets herinner van mijn jeugd zijn het wel de huiskamerbijeenkomsten van geestverwanten aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Kerk, staat en maatschappij, het organiseren van rechtvaardigheid: daarover ging het onder de schemerlamp. Antirevolutionairen discussiëren altijd op het scherpst van de snede.”

De derde periode is te linken aan de fusie van drie christelijke politieke partijen KVP, CHU en ARP tot het CDA. In elkaars armen gedreven door de secularisatie. In die fusie-periode is er ongelooflijk veel nagedacht – en ook gestreden – over het politieke fundament, de grondslag van het CDA. Het leidde in 1980 tot een beginselprogramma dat vrij snel na de oprichting van het CDA ge-update werd, in 1993. Dat program van uitgangspunten uit 1993 is tot op de dag van vandaag het fundament waar we op staan, inclusief die 4 befaamde kernbegrippen.

In de zomer van 2020 solliciteerde ik – voor de 2e keer – naar een plek op de CDA-kandidatenlijst voor de 2e Kamer. Eén van de formaliteiten was het ondertekenen van het CDA-program van uitgangspunten. Vier jaar eerder had ik dat braaf getekend, nu maakte ik er meer werk van: ik ben het eens gaan lezen. Ik kreeg de smaak te pakken en ging zelfs gesprekken aan met destijds bij de opstelling betrokken CDA’ers. Maar ook met jongeren en mensen buiten het CDA.

Wat opvalt in de generatie Hannie van Leeuwen is dat je veel CDA-politici tegenkomt die zich niet bijzonder uiten over hun diepere politieke drijfveren, laat staan over hun geloofsleven. Neem bijvoorbeeld Ruud Lubbers. Voor hem ging het toch vooral om het doen, om de praktische christelijke politiek. Hooguit mompelde hij iets over een opleiding bij de Jezuïeten. Pas later, als hij terugkijkt op zijn politieke leven, dan komt de vraag op tafel wat hem in levensbeschouwelijke zin dreef. En dan komt er wat meer tekst.

Veel CDA-politici zijn van die Rotterdamse school: geen woorden maar daden. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de achterban voor wie zij politiek bedreven vaak uit hetzelfde hout gesneden waren: opgegroeid in de wereld van het Katholiek sociaal denken, of opgegroeid in een Protestantse zuil: ze wisten precies waar hun politici de mosterd haalden. Dat is nu wezenlijk anders. En meteen is dat ook onderdeel van onze huidige verlegenheid.

Die terughoudendheid lees je ook in ons program van uitgangspunten. Bij ons geen getuigende, evangeliserende christenen die op de tafel springen om geloof – en vooral hun persoonlijk geloof – en politiek handelen direct aan elkaar te koppelen. Daarvoor moet je naar de SGP en de ChristenUnie. Waar wel entree-eisen worden gesteld als het gaat om geloof. Het CDA heeft uit overtuiging geen levensbeschouwelijke weegschaal in de gang staan. Iedereen is welkom. Het is hèt verschil tussen de christelijke politiek van SGP en ChristenUnie en de christendemocratische politiek van het CDA.

Eén van de kernen van het program is de antwoord-filosofie die in artikel 2 verwoord staat. “In antwoord op de oproep van de Bijbel krijgt de politieke overtuiging van het CDA gestalte.” Het samenbindende element in de partij is niet het evangelie zelf of het kerkelijk leergezag, maar het politieke antwoord dat we op de mat leggen als antwoord op de oproep van het evangelie. En met evangelie bedoel ik dan daar waar in de Bijbel door Jezus ‘de goede boodschap’ is verkondigd en is voorgedaan. Veelal in gelijkenissen of in verhalen over zijn leven, zijn voorbeeldige leven.

Het gaat er dus niet om dat CDA-leden of -politici zélf gelovige of belijdende mensen zijn of dat over levensbeschouwelijke vragen binnen het partijverband overeenstemming bestaat: we zijn geen kerk, we zijn een volkspartij. Het gaat om het praktische, politieke handelen dat een antwoord op dat evangelie moet zijn en waar CDA’ers – of je nou gelovig bent of niet – zich in kunnen herkennen.

En wat is dan die oproep van het evangelie? Vaak wordt verwezen naar de Bergrede van Jezus en naar de zaligsprekingen. Niet voor niets werd bij het overlijden van Hannie van Leeuwen gelezen uit Mattheus 25: “Alles wat jullie gedaan hebben voor één van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zussen, dat hebben jullie voor mij gedaan”. In die lijn moet ook de zogenaamde Bergrede van Willem Aantjes worden genoemd, uitgesproken bij het eerste congres van het CDA. In lijn met de antwoord- filosofie introduceert het program van uitgangspunten 4 kernbegrippen: publieke gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap. Stootkussens tussen enerzijds de heiligheid van de bijbel en het evangelie en anderzijds het vuile handen maken in de politiek.

Die vier uitgangspunten horen bij elkaar, kunnen niet los ‘verkocht’ worden. Andere politieke partijen hebben ze inmiddels ook gevonden, maar dan merken wij graag als CDA’ers op dat zij ze wèl los verkopen: solidariteit bij de Partij van de Arbeid, gerechtigheid bij de SP en rentmeesterschap bij GroenLinks.

In dat artikel 2 van ons program van uitgangspunten staat ook de zin “De voortdurende toetsing aan de Bijbel is het kenmerk van de politieke overtuiging.” En dan hebben we het over de toetsing van politieke standpunten. Laten we eerlijk zijn, dat doen we bijna niet in onze partij. En een andere observatie: de kernbegrippen zijn een beetje afstoppers geworden, een soort wachtwoorden. Als je een politicus twee of meer van dat soort begrippen hoort noemen, dan weet je eigenlijk al dat je naar een ‘echte’ CDA’er zit te luisteren. Dan zit het goed. Maar ze klinken mij te vaak in de oren als bezweringsformules, zonder dat we werkelijk de discussie met elkaar aan gaan. Geen wachtwoorden, maar stopwoorden.

1993 ligt lang achter ons. Niet alleen is het 30 jaar geleden dat we ons program voor het laatst geactualiseerd hebben – terwijl de wereld om ons heen in de tussentijd majeur veranderd is – ook doen we dus niet wat het program ons opdraagt: die voortdurende toetsing van onze praktische politiek. Dat is juist de discussie die een partij levendig kan maken, waar leden dolgraag bij betrokken zouden zijn. Het is ook een buitengemeen lastige klus. Maar wel wat in onze opdracht staat. En misschien wel noodzakelijker dan in het verleden, toen zowel gekozen politici als het kiezersvolk zelf nog veel meer leefde met de Bijbel op schoot.

Zelf ben ik die vier kernbegrippen minder belangrijk gaan vinden. Natuurlijk, het zijn handige moersleutels in de discussie en ze hebben ook een enorme inhoud als je je erin verdiept. Maar dat doen we te weinig. Waar ik veel meer waarde aan ben gaan hechten is ons mensbeeld. Wij zijn als mensen geschapen naar het beeld van God. Niet de mensheid als geheel, maar ieder individueel mens. Dat betekent dat we allemaal gelijkwaardig zijn. Niet gelijk, want niet iedereen is 2 meter lang en heeft grijs haar. Gelijkwaardig als mens. Daarom telt iedereen. En daarom heeft iedereen evenveel recht om recht gedaan te worden. Menselijke waardigheid hangt nauw samen met gerechtigheid, met vrijheid, het niet onderworpen zijn aan iets of iemand anders. Aan de mogelijkheid om zelf keuzes van goed en fout te maken. Geschapen naar Gods gelijkenis.

De vrijheid die wij kennen is een vrijheid die samengaat met verantwoordelijkheden. Het is niet de vrijheid in liberale zin: dat jij jezelf hélemaal kunt ontplooien, dat je een recht hebt om je bucket-list af te werken tijdens je leven en dat als alle vinkjes gezet zijn je zou kunnen spreken over een voltooid leven. Het mens zijn speelt zich bij ons altijd af in relatie tot anderen: dat geeft het leven meerwaarde, kleur, glans. De mens is een gemeenschapsmens en om kunnen zien naar elkaar – als vrije keuze – is een essentieel onderdeel van die menselijke waardigheid.

Dat mensbeeld – dat Bijbelse concept van menselijke waardigheid – helpt ons verder in een tijd waarin geestelijke leegte, eenzaamheid, een steeds machtiger overheid, steeds meer afhankelijkheid van tech en techbedrijven een aanval zijn op hoe de mens door God bedoeld is. En het voordeel van die benadering is dat we een veel scherper beeld krijgen van de groepen waar wij voor moeten staan, als christendemocraten.

Even een gedachte tussendoor: wat als rond de kinderopvangtoeslag de menselijke waardigheid voorop had gestaan, in plaats van het bureaucratisch volgen van de regeltjes? Think about it.

We moeten ons christendemocratische fundament reviseren. De wereld is sinds 1993 veranderd, ons program van uitgangspunten niet. Laten we een voorbeeld nemen aan de Vrije Universiteit, die universiteit van Kuyper, die het aangedurfd heeft om die protestantse C in handen te nemen, ter discussie te stellen. De VU doet geen afstand van haar christelijke oorsprong – die wordt expliciet benoemd – maar stelt nu rechtvaardigheid, medemenselijkheid en verantwoordelijkheid voor elkaar en voor de wereld centraal. Levensbeschouwing en zingeving blijven een zeer belangrijke rol spelen, maar wel met een bredere blik, daarmee veel opener voor mensen die zichzelf niet of niet meer als christelijk definiëren.

Zo kan het ook. Zonder je afkomst te verloochenen een nieuwe stap maken. Christenen moeten niet denken dat zij de enigen zijn die vanuit levensbeschouwing de menselijke waardigheid centraal stellen. Wat te denken van de moslims en de hindoes! Het kan dan zo zijn dat steeds minder mensen in onze samenleving iets hebben met de christelijke leer en de kerk, het aantal mensen dat zich werkelijk met religie, met zingeving, met levensbeschouwing bezighoudt is nog nooit zo groot geweest. En er zullen altijd mensen zijn die vanuit die houding ook in politiek verband elkaar willen opzoeken.

Waar we in ieder geval binnen onze partij meer werk van moeten maken is de opdracht om onze politieke overtuiging en handelen te toetsen aan die menselijke waardigheid, of aan onze kernbegrippen. Vaak durven we niet te discussiëren omdat we dan bang zijn dat dat door de buitenwereld opgevat wordt als ‘onrust binnen het CDA’. In dit opzicht wil ik juist veel meer onrust binnen het CDA.

Hallo, hoor ik jullie denken. Dit was toch de Hannie van Leeuwen lezing? Ga je het nog over haar hebben? Eigenlijk heb ik het al steeds over Hannie. Als er iemand was die die rechtvaardigheid centraal stelde, de menselijke waarde op individueel niveau, dan was dat Hannie. De vrouw die geen aparte stichting nodig had om de sociale christendemocratie op de kaart te zetten.

Was Hannie van Leeuwen een conservatief, zoals sommigen beweren? Ik geloof daar geen barst van. Ja, natuurlijk, zij kwam uit een calvinistische wereld van zekerheden en vastigheden en ze stond pal voor kerk, staat en koningshuis. Maar als je kijkt naar haar inspanningen op het vlak van sociale zekerheid, haar standpunt in de Rijnhal in Arnhem in 2010, haar vechtlust voor verandering, dan was ze knap progressief voor een conservatief.

Vorige week sprak Erik Borgman, hoogleraar publieke theologie aan Tilburg University tijdens het Christelijk Sociaal Congres over de radicaliteit van het evangelie. Jezus die het gezelschap zoekt van tollenaars, hoeren en zondaars. De criminelen, sekswerkers en wappies van onze tijd. Hen ziet als onderdeel van onze gemeenschap, hen niet wegstopt of van zich afduwt. Hij kiest voor mensen die maatschappelijk onder liggen, wil hen recht doen. Hij treedt ze tegemoet zonder de persoon te oordelen, ziet hen als medemens. Het evangelie staat bol van de verhalen die – als we ons daar in de praktische politiek aan willen spiegelen – eerder revolutionair en vernieuwend dan als conservatief en behoudend te bestempelen zijn.

Om die reden zie ik niets in het Conservatief Democratisch Appel. Dan worden conserveren en behoudzucht het startpunt van onze politieke inspiratie. En dat is totaal iets anders dan het zoeken van een politiek antwoord op een evangelische oproep, totaal iets anders dan het zoeken van gerechtigheid voor mensen die juist geplet worden door de bestaande machten en krachten. Het isingewikkeld zo’n label en ik raak altijd met conservatieven verzeild in definitie-discussies. Maar bij mij ontstaat er nul geestdrift als we die afslag nemen.

Tot slot. Wat zou de rol van het CDJA hierin kunnen zijn? Daar heb ik over na zitten denken. En toen gingen mijn gedachten via Hannie van Leeuwen naar Asterix en Obelix. Hannie van Leeuwen hield wel van een borreltje. Jonge jenever. Een soort toverdrank voor gereformeerden.

Toverdrank is een essentieel onderdeel in de verhalen van Asterix en Obelix. Obelix was in zijn jonge jaren in de ketel met toverdrank gevallen. Hij was permanent sterk. Ook wel een beetje lomp en onbeholpen, maar je kon aan hem zien wat hij was. Identiteit en integriteit zaten goed. Anders dan Asterix, meer de slimmerd, de politicus. Maar iemand die altijd eerst aan dat flesje met toverdrank moet lurken, om diezelfde kracht te evenaren.

Hannie en velen uit haar generatie waren ook in zo’n ketel gevallen. In haar jeugd was ze – in de kerk, in het verzet, in de ARJOS, in de ARP – doordrenkt met het christendemocratisch gedachtengoed. Ze had erin rondgedarteld, had het zich eigen gemaakt, ze beheerste het.

Dat is wat ik ons als partij toewens, waar ik van hoop dat het CDJA werk maakt. Een lezing als deze hoort daarbij. Koop een schemerlamp, duw elkaar in de ketel, hoe vaker hoe beter. Complimenten dat jullie deze discussie aan gaan. Wees het heftig oneens met elkaar: bij jullie mag dat nog, in het grote CDA zijn we het soms bijna verleerd of durven we het niet. Zorg er voor dat je onze uitgangspunten kunt dromen, dat je er boven staat, dat je ze in handen neemt, dat je ze durft aan te passen, aan de eisen van deze tijd. Jullie tijd!

Maar bovenal: ga er pal voor staan. Wees niet laf door de C halverwege weg te moffelen. Maar heb het lef om die C nieuw leven in te blazen, door te zorgen dat wij ons als politieke beweging onderscheiden van al die anderen. Zoals we altijd gedaan hebben. Want – om af te sluiten in de trend van Willem Aantjes: de wereld schreeuwt om politici die de menselijke waardigheid centraal stellen, de wereld schreeuwt om werkelijk christendemocratische politiek.

Dankuwel.’